Uitspraak
1.Procesverloop
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
9 juni 2023.
Hoge Raad
De zaak betreft de uitleg van het begrip 'vakantie' in artikel 7:634 BW Pro en de toepassing daarvan op bovenwettelijke vrije uren zoals opgenomen in de cao NS. De werknemer, machinist bij NS Reizigers, vordert betaling van onregelmatigheidstoeslag over zowel wettelijke verlofuren als bovenwettelijke vrije uren. Het hof heeft geoordeeld dat deze vrije uren vakantieaanspraken zijn en dat NS Reizigers gehouden is tot betaling van onregelmatigheidstoeslag en pensioenpremie over deze uren vanaf mei 2012.
De Hoge Raad bevestigt dat vrije uren, ook indien ingezet in het Keuzeplan voor werktijdverkorting, vakantieaanspraken zijn in de zin van de wet en dat het loonbegrip voor bovenwettelijke vakantie gelijk is aan dat voor wettelijke vakantie, inclusief de onregelmatigheidstoeslag. De wet laat geen ruimte voor een beperkter loonbegrip voor bovenwettelijke vakantieaanspraken.
Wel vernietigt de Hoge Raad het oordeel van het hof voor zover het NS Reizigers veroordeelt tot afdracht van pensioenpremie over de compensatie onregelmatigheid, omdat deze vordering niet binnen de rechtsstrijd lag. De overige klachten worden verworpen en het arrest van het hof wordt in zoverre vernietigd en anderszins bevestigd.
Uitkomst: Hoge Raad bevestigt loonbetaling inclusief onregelmatigheidstoeslag over bovenwettelijke vrije uren en vernietigt pensioenpremiebetaling over compensatie onregelmatigheid.