Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel
(i) Allereerst blijkt uit het medisch dossier betreffende de aangeefster dat zij er al in 2005 tegenover haar huisarts gewag van heeft gemaakt dat zij van haar 11e tot 23e levensjaar ernstig seksueel misbruikt is. Ook maakte zij er blijkens dat stuk in 2005 bij de arts melding van dat haar oom dronken voor de deur van haar woning had gestaan. Daarbij heeft de arts toen blauwe plekken geconstateerd. Het medisch dossier biedt voorts een bevestiging van het door de aangeefster gestelde, als gevolg van het misbruik opgelopen psychisch letsel, waaronder een eetstoornis, psychische problemen en de diagnose posttraumatische stressstoornis (PTSS). Die laatste diagnose is door in de GGZ werkzame personen gesteld.
(ii) Daarnaast volgt uit de verklaringen van de ouders van de aangeefster te weten J. [betrokkene 1] en [betrokkene 10] , en haar partner [betrokkene 6] dat de vrouw van de verdachte ( [betrokkene 1] , de zus van de moeder van de aangeefster) er op twee verschillende momenten, namelijk op 10 en 12 december 2016, tegenover hen opgave van heeft gedaan dat, toen zij de verdachte confronteerde met de brief die door de aangeefster op 10 december 2016 is verstuurd, waarin al in de derde zin wordt gesproken over “misbruik” en “verkrachting”, de verdachte tegenover haar heeft bekend en zei dat het klopte en dat het waar was wat er in de brief stond. Over deze twee gebeurtenissen verklaren genoemde getuigen - ook op details - zeer consequent. Het hof acht hetgeen zij verklaren over de verklaring van [betrokkene 1] over de ‘bekentenis’ van haar man [verdachte] , dan ook betrouwbaar en ondersteunend voor de aangifte.
(iii) Ondersteuning voor hetgeen het hof hiervoor onder (ii) heeft overwogen, biedt eveneens het kaartje dat een week na 10 december 2016 door [betrokkene 1] aan de aangeefster is verstuurd. In dat berichtje spreekt zij haar hoop uit dat dat berichtje een beetje steun geeft aan [aangeefster] en voegt daaraan toe: “ Uit de grond van me hart, ik wist hier niks van!”.
(iv) Tot slot wijst het hof op het door de vader van de aangeefster (heimelijk) opgenomen gesprek tussen de vrouw van de verdachte ( [betrokkene 1] ) en de ouders van de aangeefster van 19 januari 2017. In dit gesprek zegt de vrouw van de verdachte ( [betrokkene 1] ) dat de verdachte heeft bekend seks te hebben gehad met de aangeefster en dat zij vier zinnen uit de door de aangeefster verstuurde brief heeft gelezen en deze toen aan de verdachte gaf, waarop hij “ja” zei. Zoals reeds overwogen wordt in de betreffende brief al in de derde zin gesproken over “misbruik” en “verkrachting”. Ook dit verweer wordt derhalve verworpen.”
3.Beslissing
28 maart 2023.