Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van de overige cassatiemiddelen
4.Beslissing
21 februari 2023.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden dat een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel behandelde. Betrokkene was veroordeeld voor de verkoop van heroïne en cocaïne over een periode van 24 maanden. Het hof had het voordeel geschat door extrapolatie van gegevens uit een referentieperiode van 16 dagen.
De verdediging betwistte de representativiteit van deze korte referentieperiode, stellende dat de fluctuaties in de handel en het onregelmatige koopgedrag van gebruikers een extrapolatie onbetrouwbaar maken. Het hof oordeelde echter dat uit het dossier voldoende blijkt dat er sprake was van een florerende drugshandel gedurende ten minste twee jaren, en zag geen aanleiding om de representativiteit van de referentieperiode te betwijfelen.
De Hoge Raad herhaalt de relevante jurisprudentie over de motiveringseisen bij schattingen van wederrechtelijk verkregen voordeel en stelt dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de 16-daagse referentieperiode representatief zou zijn voor de gehele periode. Het hof heeft geen concrete vaststellingen gedaan over de duur van de drugshandel binnen die periode en heeft niet aangegeven op welke wettige bewijsmiddelen het oordeel over de 'florerende' handel is gebaseerd.
Daarom is het arrest van het hof ontoereikend gemotiveerd en wordt het vernietigd. De zaak wordt terugverwezen naar het hof Arnhem-Leeuwarden voor hernieuwde berechting en beslissing.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.