Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2022:933

Hoge Raad

Datum uitspraak
24 juni 2022
Publicatiedatum
23 juni 2022
Zaaknummer
20/04071
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 7 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt cassatieberoep in civiele zaak over financiële toezegging vennootschap

In deze civiele procedure heeft eiseres, een naamloze vennootschap, cassatieberoep ingesteld tegen eerdere arresten van het gerechtshof Den Haag. De zaak betreft een geschil over de rechtsmacht en de vraag of er een toezegging is gedaan om een vennootschap financieel in staat te stellen declaraties van een advocaat te voldoen.

De Hoge Raad verwijst voor het gedingverloop naar eerdere vonnissen van de rechtbank Rotterdam en arresten van het hof Den Haag. Na beoordeling van de klachten over de arresten van het hof concludeert de Hoge Raad dat deze klachten niet leiden tot vernietiging van de arresten. De Hoge Raad motiveert dit niet, omdat beantwoording van de vragen niet noodzakelijk is voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.

Het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep van verweerder behoeft geen behandeling, omdat het principale beroep is verworpen. De Hoge Raad veroordeelt eiseres in de kosten van het cassatiegeding, begroot aan de zijde van verweerder 1 op een bedrag van €4.342,34 en nihil aan de zijde van verweerder 2. Het arrest is gewezen door de president en raadsheren en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2022.

Uitkomst: Het cassatieberoep van eiseres wordt verworpen en zij wordt veroordeeld in de kosten van het geding.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer20/04071
Datum24 juni 2022
ARREST
In de zaak van
[eiseres] N.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats],
EISERES tot cassatie, verweerster in het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep,
hierna: [eiseres],
advocaat: H.J.W. Alt,
tegen
1. [verweerder 1],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie, eiser in het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep,
hierna: [verweerder 1],
advocaat: J. van der Beek,
2. [verweerster 2] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats],
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: [verweerster 2],
niet verschenen.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
de vonnissen in de zaak C/10/486512/HA ZA 15-1042 van de rechtbank Rotterdam van 20 april 2016 en 9 november 2016;
de arresten in de zaak 200.209.193/01 van het gerechtshof Den Haag van 4 september 2018, 19 februari 2019 en 8 september 2020.
[eiseres] heeft tegen de arresten van het hof van 4 september 2018 en 8 september 2020 beroep in cassatie ingesteld.
[verweerder 1] heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld.
[verweerster 2] heeft geen verweerschrift ingediend.
[eiseres] en [verweerder 1] hebben over en weer een verweerschrift tot verwerping van het beroep ingediend.
De zaak is voor [eiseres] en [verweerder 1] toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal P. Vlas strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van [eiseres] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2.Beoordeling van het middel in het principale beroep

De Hoge Raad heeft de klachten over de arresten van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van de arresten. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).
Het incidentele beroep, dat is ingesteld onder de voorwaarde dat het middel in het principale beroep tot vernietiging van de arresten van het hof leidt, behoeft gelet op hetgeen hiervoor is overwogen geen behandeling.

3.Beslissing

De Hoge Raad:
  • verwerpt het principale beroep;
  • veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder 1] begroot op € 2.142,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien [eiseres] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan en aan de zijde van [verweerster 2] begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de president G. de Groot als voorzitter en de raadsheren C.E. du Perron, C.H. Sieburgh, A.E.B. ter Heide en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer H.M. Wattendorff op
24 juni 2022.