Belanghebbende heeft in een procedure tegen de Staatssecretaris van Financiën beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag. Voor het instellen van het beroep was griffierecht verschuldigd. Belanghebbende deed een beroep op betalingsonmacht en overlegde diverse documenten, waaronder een verklaring omtrent afwezigheid van vermogen en een betalingsspecificatie van een nabestaandenuitkering.
De griffier van de Hoge Raad heeft vervolgens een inkomensverklaring opgevraagd bij de Raad voor Rechtsbijstand en belanghebbende in de gelegenheid gesteld hierop te reageren. Op basis van de verstrekte gegevens kon niet worden geconcludeerd dat aan de criteria voor betalingsonmacht werd voldaan, zodat het griffierecht geheven moest worden. Na meerdere aanmaningen en een adresverificatie is het griffierecht niet betaald.
Belanghebbende werd in de gelegenheid gesteld een verklaring te geven voor het niet betalen, maar de Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde gronden onvoldoende waren om het verzuim te rechtvaardigen. Het niet betalen van het griffierecht maakte het beroep in cassatie niet ontvankelijk op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb.
De Hoge Raad zag geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen en verklaarde het beroep in cassatie niet-ontvankelijk. Het arrest werd vastgesteld door de vice-president en raadsheren in de raadkamer en in het openbaar uitgesproken op 24 juni 2022.