Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
Het Hof heeft het betoog van belanghebbende verworpen dat de naheffingsaanslag niet aan hem als werknemer maar aan de eigenaar van het schip had moeten worden opgelegd. Naar het oordeel van het Hof vloeit een dergelijke rangorde niet uit de Wet voort en handelt de Inspecteur, door zo’n rangorde niet in acht te nemen, (ook) niet in strijd met enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur.
Het is buiten redelijke twijfel dat het begrip ‘persoon die de accijnsgoederen voorhanden heeft’ in artikel 8, lid 1, letter b, van Richtlijn 2008/118/EG en artikel 51, lid 1, letter b, van de Wet zo moet worden uitgelegd dat elke werknemer die fysiek over de accijnsgoederen beschikt, op grond van deze bepalingen schuldenaar voor de accijns kan zijn, ook indien die goederen toebehoren aan zijn werkgever of aan een derde.
Een werknemer wiens doen of nalaten aan de werkgever moet worden toegerekend, kan niet zonder meer worden aangemerkt als een persoon die betrokken is bij het voorhanden hebben als bedoeld in artikel 51, lid 1, letter b, van de Wet.
Dat tussen de schipper en de eigenaar dan wel de exploitant van het schip vanwege de arbeidsovereenkomst een gezagsverhouding bestaat, op grond waarvan deze laatsten het recht hebben in zekere mate instructies te geven met betrekking tot de inhoud van de werkzaamheden en de wijze van uitvoering daarvan, maakt het voorgaande niet anders, ook niet indien die eigenaar of exploitant zich – in de hoedanigheid van werkgever – ten tijde van het vervoer van de desbetreffende goederen aan boord bevindt.
Een en ander laat onverlet dat het, afhankelijk van de omstandigheden, mogelijk is dat ook de werkgever van de gezagvoerder, of de exploitant van het schip als belastingplichtige wordt aangemerkt, vanwege betrokkenheid bij het voorhanden hebben als bedoeld in artikel 51, lid 1, letter b, van de Wet en dus ook als schuldenaar kan worden aangesproken.