ECLI:NL:GHDHA:2025:2826

Gerechtshof Den Haag

Datum uitspraak
17 december 2025
Publicatiedatum
15 januari 2026
Zaaknummer
BK-23/97
Instantie
Gerechtshof Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake naheffingsaanslag accijns en voorraadheffing met betrekking tot onveraccijnsde gasolie

In deze zaak gaat het om een hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag, die op 22 december 2022 een naheffingsaanslag accijns en voorraadheffing heeft bevestigd. De Inspecteur van de Belastingdienst had aan belanghebbende een naheffingsaanslag opgelegd van € 1.402.296,38 aan accijns en € 23.236,30 aan voorraadheffing, omdat hij betrokken zou zijn bij het voorhanden hebben van onveraccijnsde gasolie afkomstig uit België. De Rechtbank oordeelde dat de Inspecteur voldoende bewijs had geleverd dat belanghebbende als belastingplichtige kon worden aangemerkt op basis van zijn betrokkenheid bij de transacties. Belanghebbende stelde dat hij niet betrokken was bij het voorhanden hebben van de accijnsgoederen en dat de Inspecteur niet per transport had aangetoond dat hij belastingplichtig was. Het Hof bevestigde de uitspraak van de Rechtbank en oordeelde dat de Inspecteur niet per transport hoefde te bewijzen dat belanghebbende betrokken was. Het Hof concludeerde dat belanghebbende terecht als belastingplichtige was aangemerkt en dat de naheffingsaanslag terecht was opgelegd. De uitspraak van het Hof werd gedaan op 17 december 2025.

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-23/97

Uitspraak van 17 december 2025

in het geding tussen:

[X] te [Z] , belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Douane, de Inspecteur

(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 22 december 2022, nummer SGR 21/7850.

Procesverloop

1.1.
De Inspecteur heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag accijns opgelegd bestaande uit € 1.402.296,38 accijns minerale oliën en € 23.236,30 voorraadheffing (de naheffingsaanslag). Gelijktijdig is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht (de beschikking belastingrente).
1.2.
De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag en de beschikking belastingrente gehandhaafd.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Van belanghebbende is een griffierecht geheven van € 181. De Rechtbank heeft het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Ter zake hiervan is een griffierecht van € 274 geheven. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Van de zijde van de Inspecteur is op 18 oktober 2024 een nader stuk ingekomen. Belanghebbende heeft op 18 oktober 2024 een nader stuk ingediend.
1.5.
Op 31 oktober 2024 heeft het Hof een regiezitting gehouden waarbij afspraken zijn gemaakt inzake het overleggen van het strafrechtelijke dossier, samengesteld door de Fiscale Inlichtingen en Opsporingsdienst (FIOD) onder de naam “ [naam FIOD-dossier] ”. Partijen zijn
verschenen. Zoals blijkt uit het proces verbaal van deze zitting is daarbij het volgende afgesproken:
“(…)
  • De Inspecteur zal het FIOD-dossier integraal en zonder dat er gedeelten zijn weggelakt verstrekken. De Inspecteur zal tevens een bijlage overleggen waarin staat vermeld welke gedeelten uit het FIOD-dossier van belang zijn voor de onderhavige zaak met vermelding van de vindplaats van deze gedeelten.
  • De Inspecteur zal het FIOD-dossier en de bijbehorende bijlage op digitale wijze rechtstreeks aan belanghebbende verstrekken door middel van toezending van een pdf-bestand of een downloadlink aan de gemachtigde van belanghebbende.
  • De Inspecteur maakt een afspraak met de griffie van het Hof over de aanlevering van het FIOD-dossier en de bijbehorende bijlage op een usb-stick. Het Hof zal het FIOD-dossier en de bijbehorende bijlage niet nogmaals naar belanghebbende doorsturen.
  • (…)”
1.6.
Op 15 mei 2025 heeft de Inspecteur een USB-stick aan het Hof overgelegd met daarin het FIOD-dossier in het onderzoek [naam FIOD-dossier] . Daarbij heeft de Inspecteur een brief gevoegd waarin staat vermeld welke gedeelten uit het FIOD-dossier van belang zijn voor de onderhavige zaak met vermelding van de vindplaats van deze gedeelten. De Inspecteur heeft het FIOD-dossier op dezelfde datum via File Transfer verzonden aan de (toenmalige) gemachtigde van belanghebbende.
1.7.
Bij brief van 4 november 2025 heeft de gemachtigde van belanghebbende zich onttrokken als advocaat van belanghebbende.
1.8.
De mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 13 november 2025. De Inspecteur is verschenen. Belanghebbende is niet verschenen. De toenmalige gemachtigde van belanghebbende is in de onderhavige zaak door de griffier van het Hof bij een digitaal verzonden bericht uitgenodigd om te verschijnen op de zitting van 13 november 2025 om 10.00 uur te Den Haag. Blijkens de bij het hiervoor genoemde bericht opgeslagen metadata in de digitale postkamer van het Hof is het bericht op 12 juni 2025, 10:26 uur, verzonden via het webportaal Mijn Rechtspraak. Tegelijk met het bericht is een kennisgeving per e-mail verstuurd naar het door de toenmalige gemachtigde van belanghebbende opgegeven e-mailadres. Gelet hierop is belanghebbende naar het oordeel van het Hof correct uitgenodigd en voorts mag worden verwacht dat de (toenmalige) gemachtigde van belanghebbende, voorafgaand aan of in elk geval nadat hij het Hof te kennen had gegeven belanghebbende niet meer als advocaat te vertegenwoordigen, belanghebbende heeft geïnformeerd over de zittingsdatum. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Feiten

2.1.
Belanghebbende was vanaf juni 2014 bedrijfsleider met volledige volmacht van [B.V. 1] Deze vennootschap is op 29 september 2015 failliet verklaard. [B.V. 1] hield zich bezig met de exploitatie van (veiling) websites, het organiseren van internetveilingen, de verkoop van brandstofkaarten en brandstof gerelateerde producten. Daarnaast was belanghebbende betrokken bij en verrichtte hij werkzaamheden voor [B.V. 2] Deze vennootschap is met ingang van 1 juni 2017 ontbonden. [B.V. 2] hield zich bezig met niet-gespecialiseerde groothandel in consumentenartikelen en niet-consumentenartikelen en handelsbemiddeling in meubels, huishoudelijke artikelen en ijzerwaren.
2.2.
De FIOD heeft op 24 maart 2017 onder de naam “ [naam FIOD-dossier] ” een strafrechtelijk onderzoek ingesteld tegen achttien verdachten, onder wie belanghebbende, betreffende vermoedens van (samengevat) accijnsfraude, belastingfraude, faillissementsfraude, valsheid in geschrifte en witwassen. Het onderzoek richt zich specifiek op het vervoer van olieproducten vanuit België naar Nederland in de periode april 2015 tot en met april 2016. Het betreft de olieproducten Lubricant Oil Kayla (LOK) en Lubricant Oil Hantlom (LOH), zogenoemde “designer fuels”. De term
lubricant oilis Engels voor smeerolie. De genoemde producten bevatten een hoog percentage gasolie (doorgaans 85%) en zijn door twee Belgische ondernemingen geproduceerd. Hiervoor heeft de Belgische douane een vergunning verleend. Beide producten worden niet als een accijnsgoed aangemerkt in België.
2.3.
In het “Aanvangsproces-verbaal (…)” van 7 juni 2017, dossiernummer […] , procesverbaal-nummer AMB-001, pagina 0498 van het dossier [naam FIOD-dossier] , is onder meer het volgende opgenomen:

“2.Aanleiding onderzoek

(…)
De in België gemengde designer fuels LOK en LOH zijn wettelijk geen accijnsproducten en mogen in de Europese Unie worden verhandeld en vervoerd zonder dat er formeel een regime van douanetoezicht op van toepassing is. Door de gebruikte grondstoffen en samenstelling zijn LOK en LOH uitstekend bruikbaar als brandstof of additief. Er kleeft hierdoor een fiscaal risico aan deze designer fuels en door Europese douanediensten wordt samengewerkt om fraude hiermee te bestrijden.
3. Vermoeden van accijnsfraude
Het vermoeden bestaat dat meerdere verdachten zich schuldig hebben gemaakt aan accijnsfraude, waarbij ten onrechte de Nederlandse accijns niet werd afgedragen.
De in België geladen (accijnsvrije) designer fuels LOK en LOH (“smeerolie") werden op papier omgekat tot diesel/gasolie. [B.V. 3] heeft facturen ontvangen van [B.V. 1] , [naam bedrijf 1] en [B.V. 2] voor diesel/gasolie waarop staat vermeld dat de prijs inclusief accijns is. In werkelijkheid werd er echter geen Nederlandse accijns afgedragen (zie paragraaf 3.13). De designer fuels werden na het omkatten in Nederland als diesel inclusief accijns verkocht waardoor Nederlandse accijns verschuldigd is. Deze diesel kreeg vermoedelijk in Nederland de fysieke bestemming brandstof. Ook hierdoor is Nederlandse accijns verschuldigd.
(…)”
2.4.
In het “Overzichtsproces-verbaal 2-OPV-1” van 8 juli […], dossiernummer […] , (hierna het overzichtsproces-verbaal), pagina 0041 van het dossier [naam FIOD-dossier] , is onder meer het volgende opgenomen:

“3.1 Strafbaar feit 1 – Accijnsfraude

Met betrekking tot [B.V. 1] is het vermoeden dat in de periode 1 april 2015 tot en met 31 december 2015
2.015.432 litersmeeroliën lubriform en/of lubricant oil Hantlom en/of lubricant oil Kayla werd ingekocht. Het betreft de zendingen 1 tot en met 61 op het overzicht DOC-167A. Bij de zendingen 3, 4 en 5 staat de [adres] in [woonplaats 1] als bestemming vermeld. Gelet op de rol van het bedrijf [B.V. 4] waren deze zendingen ook bestemd voor [B.V. 1] .
Het vermoeden is dat de
2.015.432 litersmeeroliën lubriform en/of lubricant oil Hantlom en/of lubricant oil Kayla door [B.V. 1] als veraccijnsde gasolie aan [B.V. 3] werd aangeboden voor verkoop en gefactureerd zonder dat de verschuldigde (Nederlandse) accijns werd aangegeven en afgedragen. Indien deze smeerolie bestemd is voor gebruik, wordt aangeboden voor verkoop of wordt gebruikt als brandstof, zoals gasolie, dan is accijns verschuldigd op grond van artikel 28 lid 1 Wet op de accijns, namelijk het accijnstarief van diesel (zie paragraaf 5.5.1).
Lubriform, lubricant oil Hantlom en lubricant oil Kayla zijn op basis van hun samenstelling al een accijnsproduct Voor deze producten is echter geen accijnstarief vastgesteld. Door het, op papier, omkatten van accijnsproducten waar geen accijnstarief voor is vastgesteld naar veraccijnsde autogasolie werd op grond van artikel 1 a Wet op de accijns een (nieuw) accijnsgoed vervaardigd. Daarnaast werd de verschuldigde accijns niet aangegeven en afgedragen. Het is niet toegestaan een accijnsgoed te vervaardigen buiten een accijnsgoederenplaats die voor dat soort accijnsgoed is aangewezen. Daarnaast is het niet toegestaan een accijnsgoed voorhanden te hebben dat niet overeenkomstig de bepalingen van deze wet in de heffing is betrokken. Dit alles is strafbaar gesteld in artikel 5 juncto artikel 97 Wet op de accijns. (…).”
2.5.
Vervolgens is in het onder 2.4 genoemde overzichtsproces-verbaal, op pagina 0042 van het dossier [naam FIOD-dossier] , onder dezelfde paragraaf, het volgende vermeld:
“(…)
Voor wat betreft [B.V. 2] is het vermoeden dat in de periode 1 maart 2016 tot en met 30 september 2016
1.637.627 litersmeeroliën lubricant oil Hantlom en/of Hantsynth werd ingekocht. Gelet op de aangetroffen facturen en betalingen werd door [B.V. 2] hiervan vermoedelijk
886.005 literals zijnde veraccijnsde gasolie aan [B.V. 3] aangeboden voor verkoop zonder dat de verschuldigde (Nederlandse) accijns werd aangegeven en afgedragen.
Voor de overige 751.622 liter zijn geen facturen van [B.V. 2] of betalingen van [B.V. 3] aan [B.V. 2] aangetroffen. Gelet op bevindingen die zijn gedaan in het kader van het onderzoek [naam FIOD-dossier] is het vermoeden dat dit in België is gebleven of dat de zendingen bij [naam bedrijf 2] in België vertrokken met bestemming [B.V. 2] , terwijl een ander bedrijf aan [B.V. 3] factureerde. De uitgewerkte zending zeventien is hier een voorbeeld van. Op de Belgische vrachtbrief staat [B.V. 2] als bestemming vermeld. [naam bedrijf 3] heeft vervolgens aan [B.V. 3] gefactureerd. Gelet op bevindingen die zijn gedaan in het onderzoek [naam FIOD-dossier] was dit ook een bedrijf van [A] en [belanghebbende] .
Op grond van artikel 28 lid 1 Wet op de accijns is accijns verschuldigd voor de lubricant oil Hantlom. Hantsynth wordt op basis van de goederencode gelijkgesteld met een minerale olie. Gelet op het gebruik als motorbrandstof is op grond van de artikelen 25 lid 1 juncto 28 lid 1 Wet op de accijns ook accijns verschuldigd voor de Hantsynth. In beide gevallen is dan het accijnstarief van diesel verschuldigd (zie paragraaf 5.5.1).
Zoals bij [B.V. 1] omschreven is het toegestaan een accijnsgoed te vervaardigen buiten een accijnsgoederenplaats die voor dat soort accijnsgoed is aangewezen en is het niet toegestaan een accijnsgoed voorhanden te hebben dat niet overeenkomstig de bepalingen van deze wet in de heffing is betrokken. Dit is strafbaar gesteld in artikel 5 juncto artikel 97 Wet op de accijns. (…)”
2.6.
In het overzichtsproces-verbaal (zie 2.4), pagina 0055 van het dossier [naam FIOD-dossier] , is over de rol van belanghebbende het volgende vermeld:
“(…)
In AMB-001b zijn de verdenkingen tegen [B.V. 2] en [belanghebbende] opgenomen. Zo heeft [B.V. 3] 24 facturen van [B.V. 2] betaald op de privébankrekening van [belanghebbende] . Ook zijn bescheiden met betrekking tot [B.V. 2] bij [belanghebbende] thuis aangetroffen. Daarnaast zijn op een computer die bij [belanghebbende] in beslag is genomen bestanden aangetroffen met betrekking tot [B.V. 2] . Het betreft onder meer de bestanden […] . Deze bestanden hebben vermoedelijk betrekking op facturen van [B.V. 2] aan [B.V. 3] . In dit proces-verbaal worden deze ook wel 'factuurbestanden' genoemd. Daarnaast verklaarde [B] dat hij bij [B.V. 2] onder meer te maken had met [belanghebbende] . Ook uit de verklaringen van de verdachten [C] en [D] , beiden van [naam bedrijf 4] , kan worden opgemaakt dat " […] van [B.V. 2] " vermoedelijk [belanghebbende] is en dat [belanghebbende] betrokken was bij de huur van een Belgische tanktrailer ten behoeve van de [B.V. 2 transporten] . Verder zijn e-mailberichten aangetroffen, vermoedelijk tussen [belanghebbende] en [A] , die betrekkinghebben op de lay-out van de facturen van [B.V. 2] .(…)”
2.7.
In het “Proces-verbaal Onderzoek gegevens (…)”, dossiernummer […] , proces-verbaal nummer AMB-014-18, pagina’s 0694 en 0695 van het dossier [naam FIOD-dossier] , waarin de bevindingen met betrekking tot de privébankrekening van belanghebbende zijn beschreven, is onder meer het volgende vermeld:

“(…)

Ontvangsten:

- Vanaf 8 april 2016 tot en met 2 september 2016 wordt de rekening hoofdzakelijk gevoed door overboekingen van de rekening van [naam bedrijf 5] betreffende facturen van
[B.V. 2] Dit betreffen 24 betalingen met een totaalbedrag van
€ 713.781,61;
- Één overboeking van € 17.131,75 is afkomstig van de bankrekening van [B.V. 2] met als
omschrijving [A] . Vermoedelijk wordt hiermee [A] bedoeld;
  • Op 6 april 2016, dit is de eerste transactie op deze rekening, wordt € 50 ,- contant gestort. Daarna volgen in de periode dat de bankrekening aktief is nog 10 contante stortingen met een totaal bedrag van € 75.145,-. Dit zijn stortingen van € 2.000,- of meer. In de maand mei (12, 17 en 19 mei) worden 3 grote bedragen contant gestort, respectievelijk € 12.200,-, € 15.000,- en € 15.000,-. In de maand juni (7 en 8 juni) worden respectievelijk € 12 .000,- en € 6.100, contant gestort;
  • Op 16 augustus 2016 wordt er een bedrag van €
  • Op 29 september 2016 en 6 oktober 2016 worden respectievelijk € 11.000,- en € 1.600,- gestort door [naam bedrijf 6] . In de omschrijving staat: "volgens afspraak".
Noot verbalisant:[B.V. 6] is een bedrijf waarvan [belanghebbende] de bestuurder is. [B.V. 6] voert tevens de handelsnamen [naam bedrijf 6] en [naam bedrijf 3] . Onder de naam [naam bedrijf 3] wordt na de periode [B.V. 2] diesel gefactureerd aan [B.V. 3] van [B] .
In totaal komt er op de privérekening van [belanghebbende]
€ 952.159,36binnen.”

Uitgaven/opnames:

- In de periode 8 april 2016 tot en met 6 oktober 2016 wordt in 45 transacties € 375.260,- contant opgenomen van deze privérekening. Alle deze opnames zijn groter dan € 1.000,-.
28 opnames betreffen opnames van precies € 10.000,- (totaal dus € 280.000,-) .
Noot verbalisant:Deze opnames hebben als type-transactie de code
"PK".Deze code staat voor "opname kantoor" hetgeen wil zeggen dat die opnames verricht zijn aan de balie van het ING kantoor. Bij dergelijke opnames is het gebruikelijk dat de rekeninghouder zich moet legitimeren.
- Naast deze opnames van grote bedragen zijn er in de periode 4 mei 2016 tot en met
28 september 2016 ook 33 opnames geweest vanaf deze privérekening van bedragen van
€ 1.000,- en minder die plaats hebben gevonden uit een geldautomaat. Hiervoor wordt de typetransactiecode
"GM"gebruikt. In totaal is dat € 24.460,-. Hierbij valt het op dat het grootste deel van deze transacties, opnames betreft van exact € 1.000,- namelijk 21 transacties.
- In de periode 8 april 2016 tot en met 28 juli 2016 vinden er vanaf deze privérekening van [belanghebbende] 55 transacties plaats naar het Tsjechische bedrijf [Tsjechisch bedrijf] met een totaalbedrag van € 524.144,-.
Noot verbalisant:Bij de betalingen aan [Tsjechisch bedrijf] valt een aantal zaken op
namelijk:
- De betalingen waarbij naar factuurnummers wordt verwezen, zijn deelbetalingen;
- 11 betalingen hebben als omschrijving "volgens afspraak" en zijn allemaal € 2.500,- groot totaal € 27.500,-;
- 8 betalingen verwijzen naar "Relatie België" of "Referentie België", waarvan 6x een betaling van € 18.116,45, 1 keer een betaling van € 18.500,- en 1 keer een betaling van € 12.297,60.
In totaal gaat er van de privérekening van [belanghebbende]
€ 952.159,36uit.
(…)”
2.8.
In het dossier [naam FIOD-dossier] (dossiernummer […] ) is onder de documenten als DOC-167A (pagina 2999 van het dossier [naam FIOD-dossier] ) een overzicht opgenomen van “130 transporten uit België met producten Lubriform – LOK – LOH – Hantsynth”.
2.9.
De Inspecteur heeft bij brief van 17 december 2020 belanghebbende medegedeeld dat hem een naheffingsaanslag accijns zal worden opgelegd tot een bedrag van
€ 1.425.532,68 (€ 1.402.296,38 accijns en € 23.236,30 voorraadheffing). In de mededeling naheffingsaanslag wordt, onder verwijzing naar specifieke onderdelen van het dossier [naam FIOD-dossier] , een overzicht gegeven van handelingen aangaande de betrokkenheid van belanghebbende bij het voorhanden hebben van accijnsgoederen:
“(…)
Tijdens dit onderzoek is vastgesteld:
• U voormalig bestuurder met volledige volmacht van [B.V. 1] bent.
• U tevens in naam van [B.V. 2] handelde (V15-03, VO3-08, AMB-001b en AMB-035-E2).
• U in de periode 1 april 2015 tot en met 31 december 2015 op naam van [B.V. 1] 2.018.532 liter smeerolie inkocht bij [Tsjechisch bedrijf] en deze als veraccijnsde gasolie doorverkocht aan [B.V. 3] De verschuldigde accijns werd door [B.V. 1] niet afgedragen (DOC-167a en AMB-064).
• U in de periode 1 maart 2016 tot en met 30 september 2016 op naam van [B.V. 2] 886.005 liter smeerolie inkocht bij [Tsjechisch bedrijf] en deze als veraccijnsde gasolie doorverkocht aan [B.V. 3] De verschuldigde accijns werd door [B.V. 2] niet afgedragen (DOC-167a en AMB-064).
• Op de facturen van [Tsjechisch bedrijf] aan [B.V. 1] en [B.V. 2] staat de opmerking:
"Lubricant oil may not be used as fuel, heating oil or as an addition to diesel or heating oil"vermeld (AMB-067 en DOC-166).
• Op de facturen van [B.V. 1] en [B.V. 2] aan [B.V. 3] staat de opmerking:
"Prijs is inclusief Nederlandse accijns"vermeld (AMB-067 en DOC-166).
• De chauffeurs in opdracht van u de goederen ophaalden in België en deze afleverden bij [naam bedrijf 7] in [woonplaats 2] (V13-01).
• De chauffeurs kregen van u andere CMR vrachtbrieven die ze in Nederland moesten gebruiken ter vervanging van de bij belading ontvangen vrachtbrieven. Uw vrachtbrieven waren gestempeld door [B.V. 3] en de chauffeur moest de ontvangen hoeveelheden en goederen omschrijving (gasolie) nog invullen (V13-01).
• De chauffeurs de Belgische CMR's en de door [naam bedrijf 7] afgetekende CMR’s aan u afgaven (V13-02 en V15-03).
• U heeft aan [naam bedrijf 4] gevraagd of zij voor u wilden rijden. U heeft aan [naam bedrijf 4] uitgelegd hoe een en ander met betrekking tot het omwisselen van de ADR borden en de CMR's in zijn werk ging.(V15-03)
• In België werd de trailer voorzien van de ADR borden voor smeerolie en deze werden door de chauffeurs in opdracht van u in Nederland omgewisseld naar ADR borden voorgasolie (V13-01).
• Door [B.V. 3] worden factuurbedragen van [B.V. 2] gestort op uw privérekening (AMB-001b).
• Door [B.V. 1] , [B.V. 2] en u worden de bedragen direct doorgestort naar de rekening van [Tsjechisch bedrijf] (AMB001b).
(…)”
2.10.
Aan belanghebbende is met dagtekening 23 december 2020 conform de onder 2.9 vermelde mededeling een naheffingsaanslag accijns opgelegd waarbij € 1.402.296,38 accijns minerale oliën en € 23.236,30 voorraadheffing is nageheven en € 239.208 belastingrente in rekening is gebracht.
2.11.
Belanghebbende is bij uitspraak van 30 januari 2024 van de rechtbank Rotterdam strafrechtelijk veroordeeld (ECLI:NL:RBROT:2024:886). De rechtbank heeft geoordeeld dat bewezen is dat belanghebbende de volgende strafbare feiten heeft begaan:
“1 deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven;
2. medeplegen van feitelijke leiding geven aan het medeplegen van opzettelijk een in artikel 5 van de Wet op de accijns opgenomen verbod overtreden, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd;
3 medeplegen van feitelijke leiding geven aan het medeplegen van valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd;
en
medeplegen van feitelijke leiding geven aan het medeplegen van opzettelijk een geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, afleveren en voorhanden hebben, terwijl hij weet dat dit geschrift bestemd is voor gebruik als ware het echt en onvervalst, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd;
4 medeplegen van feitelijke leiding geven aan het medeplegen van valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd;
en
medeplegen van feitelijke leiding geven aan het medeplegen van opzettelijk een geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, afleveren en voorhanden hebben, terwijl hij weet dat dit geschrift bestemd is voor gebruik als ware het echt en onvervalst, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd;
5 medeplegen van als bestuurder van een rechtspersoon welke in staat van faillissement is verklaard, ter bedrieglijke verkorting van de rechten der schuldeisers van de rechtspersoon enig goed aan de boedel onttrokken hebben, meermalen gepleegd.”

Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:
(…)
Stukken genoemd in overzichtsprocessen-verbaal
18. Eiser heeft ter zitting naar voren gebracht dat verweerder de stukken waar in de overzichtsprocessen-verbaal naar wordt verwezen niet in dossier heeft opgenomen. Verweerder heeft volgens eiser aldus niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd. De rechtbank gaat aan dit standpunt van eiser voorbij en overweegt daartoe het volgende. De stukken waarnaar verwezen wordt in deze overzichtsprocessen-verbaal zijn geen op de zaak betrekking hebbende stukken. Verweerder heeft immers enkel de beschikking over de overzichtsprocessen-verbaal. Deze heeft hij in beroep overgelegd. Daarnaast heeft eiser zijn standpunt eerst ter zitting gesteld. Verweerder heeft desgevraagd ter zitting verklaard dat hij de door eiser gevraagde stukken, indien eiser daar in een eerder stadium van deze procedure om had verzocht, had kunnen opvragen en overleggen.
Is eiser terecht aangemerkt als belastingplichtige voor de accijns
19. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat hij ten onrechte door verweerder als schuldenaar voor de accijns wordt aangemerkt. Van betrokkenheid bij het voorhanden hebben van de accijnsgoederen is volgens eiser geen sprake.
Op verweerder rust de bewijslast van het door hem gestelde belastbare feit, in deze zaak het betrokken zijn van eiser bij het voorhanden hebben van onveraccijnsde accijnsgoederen. Naar het oordeel van de rechtbank is verweerder daarin geslaagd. Vast staat immers dat de aan de naheffingsaanslag ten grondslag liggende liters gasolie op naam van [B.V. 1] , waarvan eiser bedrijfsleider was, dan wel door eiser op naam van [B.V. 2] , bij [Tsjechisch bedrijf] als smeerolie werden ingekocht en als veraccijnsde gasolie, zonder de verschuldigde accijns af te dragen, werden doorverkocht aan [B.V. 3] . Daarnaast kreeg eiser van [B.V. 3] bedragen die door [B.V. 2] waren gefactureerd op zijn privé rekening gestort. De onveraccijnsde producten LOK en LOH werden voorts in opdracht van eiser opgehaald in België, waarbij de chauffeurs de opdracht kregen van eiser om de CMR vrachtbrieven in Nederland te wisselen voor een ander exemplaar. Ook de ADR borden werden in opdracht van eiser in Nederland omgewisseld. Al deze feiten en omstandigheden brengen naar het oordeel van de rechtbank mee dat eiser betrokken is geweest bij het voorhanden hebben van onveraccijnsde accijnsgoederen. Eiser is terecht op grond van artikel 51, eerste lid, onder b, van de Wet als belastingplichtige voor de accijns aangemerkt.
Eisers stellingen ter onderbouwing van zijn standpunt dat hij niet betrokken was bij het voorhanden hebben van accijnsgoederen, te weten dat [naam bedrijf 7] de bestemming motorbrandstof aan de mengsels heeft gegeven, zijn betrokkenheid onvoldoende volgt uit de verklaring van de curator en de administratieve bescheiden, behoeven gelet op hetgeen hiervoor is overwegen geen verdere behandeling.
Met betrekking tot eisers stelling dat niet bewezen is dat sprake is van een mengsel van 85% gasolie dat bestemd was als motorbrandstof overweegt de rechtbank dat nu de LOK en LOH door eiser aan [B.V. 3] zijn verkocht en uiteindelijk aan [naam bedrijf 7] zijn geleverd ten behoeve van het gebruik als motorbrandstof, deze producten ingevolge artikel 25, tweede lid van de Wet aangemerkt worden als minerale oliën. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen slaagt het primaire standpunt van eiser niet.
20. Ter zitting heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat verweerder per gasolietransport aannemelijk dient te maken dat eiser als schuldenaar voor de accijns moet worden aangemerkt. Dit standpunt slaagt niet. Gelet op hetgeen onder 19 is overwogen is eiser op grond van artikel 51, eerste lid, onder b, van de Wet belastingplichtig wegens betrokkenheid bij het voorhanden hebben van accijnsgoederen. Nu vaststaat dat eiser belastingplichtig is voor de accijns, hoeft verweerder dit niet per transport aannemelijk te maken.
21. Met betrekking tot eisers subsidiaire standpunt dat uitslag tot gebruik in België heeft plaatsgevonden overweegt de rechtbank het volgende. De accijnswetgeving is een nationale wetgeving. Dit brengt mee dat, ook al zou er sprake zijn van uitslag tot gebruik in België, dit niet betekent dat er in Nederland geen accijns verschuldigd is. Zoals is overwogen onder 19 is eiser in Nederland betrokken geweest bij het voorhanden hebben van accijnsgoederen en is eiser belastingplichtig op grond van artikel 51, eerste lid, onderdeel b, van de Wet. Of sprake is van uitslag tot gebruik in België en daardoor eventuele verschuldigdheid van accijns in België ontstaat, is voor de verschuldigdheid van accijns in Nederland niet van belang. Het subsidiaire standpunt van eiser slaagt derhalve niet.
22. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de naheffingsaanslag terecht aan eiser opgelegd.
Voorraadheffing
23. Nu de naheffingsaanslag terecht is opgelegd, is eveneens de voorraadheffing terecht. Voorraadheffing is immers verschuldigd door degene die accijns is verschuldigd en de wettelijke bepalingen inzake de heffing en invordering van accijns zijn van overeenkomstige toepassing als ware de heffing accijns.[1]
Belastingrente
24. Eiser heeft geen afzonderlijke gronden tegen de beschikking belastingrente aangevoerd. Het is de rechtbank ook niet gebleken dat de belastingrente onjuist is berekend of in strijd met enige regel van geschreven of ongeschreven recht in rekening is gebracht.
Slotsom
25. Gelet op wat hiervoor is overwogen is het beroep ongegrond.
[1] Artikel 26 van de Wet voorraadvorming aardolieproducten 2012 ”

Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen

4.1.
In geschil is of:
  • de Inspecteur alle op de zaak betrekking hebbende stukken aan belanghebbende heeft verstrekt en, indien dit niet het geval is, of belanghebbende in zijn verdediging is geschaad;
  • belanghebbende kan worden aangemerkt als belastingplichtige voor de heffing van accijns en voorraadheffing;
  • de naheffingsaanslag tot het juiste bedrag is vastgesteld.
4.2.
Belanghebbende concludeert, naar het Hof begrijpt, tot gegrondverklaring van het hoger beroep en vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, van de uitspraak op bezwaar, van de naheffingsaanslag en van de beschikking belastingrente.
4.3.
De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep en tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

5.1.
Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de Inspecteur verzuimd heeft alle op de zaak betrekking hebbende stukken te overleggen waarop de naheffingsaanslag is gebaseerd en dat hij hierdoor in zijn verdediging is geschaad. Daarnaast stelt belanghebbende dat hij niet aangemerkt kan worden als belastingplichtige nu hij de smeerolie niet voorhanden heeft gehad en niet betrokken is geweest bij het voorhanden hebben. Voorts stelt belanghebbende dat niet bewezen is dat hij op naam van [B.V. 1] 2.015.432 liter smeerolie heeft ingekocht bij [Tsjechisch bedrijf] en dit heeft doorverkocht. Hij ontkent eveneens dat hij smeerolie heeft aangekocht op naam van [B.V. 2] Ook ontkent belanghebbende dat hij in verband met de aan- en/of verkoop van niet veraccijnsde smeerolie bedragen heeft ontvangen op en doorgestort vanaf zijn privébankrekening, terwijl volgens belanghebbende ook niet is bewezen dat hij de chauffeurs van de transporten heeft aangestuurd. Tenslotte stelt belanghebbende dat de Inspecteur per transport en belastbaar feit moet bewijzen dat belanghebbende kan worden aangemerkt als belastingplichtige. Verder doet belanghebbende een beroep op het gelijkheidsbeginsel, nu belanghebbende heeft begrepen dat aan [A] , voormalig directeur en grootaandeelhouder van [B.V. 1] , geen naheffingsaanslag zou zijn opgelegd.
5.2.
De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat aannemelijk is gemaakt dat belanghebbende betrokken was bij het voorhanden hebben van smeerolie, accijnsvrij ingekocht in België en in Nederland verkocht als gasolie, en daarom belastingplichtig is. Dit product was bestemd om als brandstof te worden gebruikt en is als zodanig ook geleverd aan eindgebruikers door de uiteindelijke afnemer [naam bedrijf 7] en aldus belastbaar voor de heffing van accijns. Betrokkenheid bij het voorhanden hebben blijkt uit het gegeven dat belanghebbende bedrijfsleider met volledige volmacht van [B.V. 1] was en ook bedragen namens deze onderneming ontving en betaalde, terwijl zijn betrokkenheid bij [B.V. 2] blijkt uit de ontvangst van bedragen bestemd voor deze onderneming op zijn eigen privérekening en uit de in zijn woning aangetroffen bescheiden die op [B.V. 2] zagen. Voorts zijn op de computer van belanghebbende factuurbestanden aangetroffen op naam van [B.V. 1] en [B.V. 2] , terwijl belanghebbende ook een belangrijke rol speelde bij het organiseren van het vervoer vanuit België naar Nederland. De betrokkenheid van belanghebbende bij het voorhanden hebben is daarmee aannemelijk gemaakt, aldus de Inspecteur. De Inspecteur hoeft, zo stelt hij, niet per zending te bewijzen dat belanghebbende, als persoon die bij het voorhanden hebben van de gasolie betrokken is, voor het juiste bedrag als schuldenaar is aangemerkt. Nu het totaal van alle voor [B.V. 1] en [B.V. 2] bestemde zendingen blijkens het dossier [naam FIOD-dossier] 3.656.159 liter bedraagt en de bestreden naheffingsaanslag is opgelegd voor een aanzienlijk lagere hoeveelheid, is de naheffingsaanslag volgens de Inspecteur alleszins redelijk en niet te hoog vastgesteld. Verder draagt de strafrechtelijke veroordeling van belanghebbende bij aan het bewijs dat de bestreden naheffingsaanslag terecht aan belanghebbende is opgelegd, zo stelt de Inspecteur.
Verstrekken op de zaak betrekking hebbende stukken
5.3.
Belanghebbende klaagt er allereerst over dat de Inspecteur niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken aan hem heeft verstrekt. De Inspecteur heeft bij zijn verweerschrift in hoger beroep nog enkele documenten als bijlage toegevoegd. Naar aanleiding van de regiezitting van 31 oktober 2024 heeft de Inspecteur conform de op die zitting gemaakte afspraak tussen partijen op 15 mei 2025 het gehele FIOD-dossier [naam FIOD-dossier] gedeeld met het Hof en met belanghebbende. Daarmee heeft de Inspecteur naar het oordeel van het Hof voldaan aan zijn verplichting de op de zaak betrekking hebbende stukken te verstrekken aan belanghebbende. Dat meer stukken zouden ontbreken, is niet gebleken. Belanghebbende is dan ook niet in zijn verdediging geschaad.
Is belanghebbende terecht aangemerkt als belastingplichtige voor de heffing van accijns?
5.4.
Om te bepalen of belanghebbende terecht is aangemerkt als belastingplichtige voor de accijns, dient eerst te worden vastgesteld of de in België aangekochte smeerolie bij levering in Nederland inderdaad een accijnsplichtig product betreft. Naar het oordeel van het Hof heeft de Inspecteur met het overleggen van het dossier [naam FIOD-dossier] aannemelijk gemaakt dat de smeerolie is verkocht als ware het veraccijnsde gasolie, dat dit product is verkocht als brandstof en dat ter zake ten onrechte geen accijns is voldaan in Nederland.
5.5.
Vervolgens rijst de vraag of belanghebbende als belastingplichtige kan worden aangemerkt voor de niet voldane accijns. Ingevolge artikel 1, lid 2, Wet op de accijns (WA) wordt ter zake van de uitslag tot verbruik van accijnsgoederen accijns verschuldigd. Op grond van artikel 2, lid 1, onder b, WA wordt onder uitslag tot verbruik mede verstaan het voorhanden hebben van een accijnsgoed buiten een accijnsschorsingsregeling wanneer over dat goed geen accijns is geheven overeenkomstig de toepasselijke bepalingen van het Unierecht en de nationale wetgeving. De accijns wordt dan op grond van artikel 51, lid 1, onder b, WA geheven van de persoon die de accijnsgoederen voorhanden heeft en enig andere persoon die bij het voorhanden hebben ervan betrokken is.
5.6.
Met de onder 5.5 aangehaalde wetsbepalingen is uitvoering gegeven aan onder meer artikel 8, lid 1, onder b, van Richtlijn 2008/118/EG. De Hoge Raad heeft in dat kader geoordeeld dat uit de omstandigheid dat behalve de persoon die de accijnsgoederen voorhanden heeft, iedere andere persoon die is betrokken bij het voorhanden hebben van accijnsgoederen, in artikel 8, lid 1, onder b, van Richtlijn 2008/118/EG is aangewezen als schuldenaar, moet worden afgeleid dat de richtlijngever een ruime kring van personen heeft aangewezen als schuldenaar van de accijnsschuld (Hoge Raad 29 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:659, r.o. 2.4.2.).
5.7.
Naast de persoon die de accijnsgoederen voorhanden heeft, kan ook de persoon die niet de feitelijke beschikkingsmacht over de accijnsgoederen heeft, maar wel betrokken is bij het voorhanden hebben van die goederen, als belastingplichtige worden aangemerkt. In de wetsgeschiedenis (Kamerstukken II 2008/09, 32 031, nr. 3, p. 23) is het volgende opgemerkt over de betekenis van de zinsnede “enig andere persoon die bij het voorhanden hebben ervan betrokken is”:
“(…) dat ook een persoon, die niet de feitelijke beschikkingsmacht over de accijnsgoederen heeft, maar wel betrokken is bij het voorhanden hebben van die goederen, als belastingplichtige kan worden aangemerkt. (…) Op grond van artikel 51, eerste lid, onderdeel b, van de wet kan de accijns dus ook worden geheven van bijvoorbeeld de handlangers van degene die accijnsgoederen feitelijk voorhanden heeft of van het brein achter een fraude.”
5.8.
Belanghebbende betoogt dat hij niet ‘betrokken’ was bij het voorhanden hebben van accijnsgoederen waarover geen accijns is geheven in de zin van artikel 2, lid 1, onder b, juncto artikel 51, lid 1, aanhef en onder b, WA. In r.o. 3.2. van zijn arrest van 5 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:169, heeft de Hoge Raad geoordeeld dat:
“(…) onder ‘betrokken zijn’ bij het voorhanden hebben van accijnsgoederen waarover geen accijns is geheven moet worden begrepen het verhandelen van dergelijke accijnsgoederen ten behoeve van degene die de goederen voorhanden heeft. Tot dat verhandelen moet ook worden gerekend het in opdracht van diegene optreden als doorgeefluik van de koopsommen voor de desbetreffende accijnsgoederen, door die koopsommen met gebruikmaking van valse facturen op een eigen bankrekening te ontvangen en vervolgens aan de opdrachtgever af te geven. Dat bij het verstrekken van dergelijke opdrachten niet erbij wordt verteld op welke verkoop en op welke accijnsgoederen de koopsom specifiek betrekking heeft, zoals het middel kennelijk wil betogen, doet aan het op die grond verschuldigd zijn van de accijns niet af.”.
5.9.
Het Hof is van oordeel dat de Inspecteur met de door hem overgelegde stukken aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende een belangrijke rol heeft gespeeld bij het voorhanden hebben van de accijnsgoederen en de onder punten 2.3 tot en met 2.7 en 2.9 van deze uitspraak vermelde handelingen daadwerkelijk heeft verricht. Gelet op deze door belanghebbende verrichte handelingen, is het Hof van oordeel dat hij betrokken is geweest bij het voorhanden hebben van onveraccijnsde accijnsgoederen in de zin van artikel 2, lid 1, onder b, juncto artikel 51, lid 1, aanhef en onder b, WA.
5.10.
Belanghebbende betoogt voorts dat de Inspecteur per transport moet aantonen dat hij als belastingplichtige kan worden aangemerkt. Het Hof verwerpt dit betoog. Uit de onder 5.8 aangehaalde rechtsoverweging uit het arrest van de Hoge Raad van 5 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:169, volgt dat het begrip ‘betrokken zijn’ ruim kan worden uitgelegd. De Hoge Raad oordeelde dat het niet uitmaakte op welke transporten (van onveraccijnsde goederen) welke betalingen zagen. Het Hof leidt hieruit af dat de Inspecteur niet gehouden is per transport specifiek aan te tonen dat en in hoeverre belanghebbende daarbij betrokken was. Met het door de Inspecteur gepresenteerde samenstel van feiten en omstandigheden is dan ook aannemelijk gemaakt dat belanghebbende betrokken was bij de verschillende transacties in onveraccijnsde smeerolie die is verkocht als ware het veraccijnsde gasolie en uiteindelijk ook als motorbrandstof ter verkoop is aangeboden.
5.11.
Ten aanzien van de hoogte van de naheffingsaanslag overweegt het Hof nog als volgt. De Inspecteur heeft de hoeveelheid gasolie van in totaal 2.904.537 liter, waarbij 2.018.532 liter is toe te rekenen aan 2015 en 886.005 liter aan 2016, berekend op basis van de hoeveelheden opgenomen in het zogenoemde DOC-167A (zie 2.8). Hoewel het aantal liter gasolie voor 2015 dat in de naheffingsaanslag is betrokken, afwijkt van het aantal liter gasolie voor dat jaar opgenomen in het ‘Voornemen opleggen naheffingsaanslag’ van 12 november 2020 (te weten 2.015.432 liter), acht het Hof het op basis van de in DOC-167A opgenomen informatie over de transporten en hoeveelheden aannemelijk dat 2.018.532 liter in 2015 is geleverd en dat daarmee de berekening waarop de naheffingsaanslag is gebaseerd juist is. Voor zover het betoog van belanghebbende moet worden opgevat als een betwisting van de hoeveelheid gasolie waarop de naheffingsaanslag is gebaseerd, faalt het dan ook.
Voorraadheffing
5.12.
Aangezien de naheffingsaanslag accijns terecht is opgelegd, is de voorraadheffing ook terecht opgelegd. Ingevolge artikel 26 van de Wet voorraadvorming aardolieproducten 2012 is de voorraadheffing verschuldigd door degene die accijns is verschuldigd. De wettelijke bepalingen inzake de heffing en invordering van accijns zijn van overeenkomstige toepassing als ware de voorraadheffing accijns.
Belastingrente
5.13.
Tegen de beschikking belastingrente heeft belanghebbende in hoger beroep geen afzonderlijke gronden ingebracht. Het Hof ziet geen aanleiding deze te verminderen.
Slotsom
5.14.
Het hoger beroep is ongegrond.

Proceskosten en griffierecht

6. Er is geen aanleiding tot een vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is vastgesteld door W. de Wit, A. van Dongen en L.D. M .A. Reijs in tegenwoordigheid van de griffier E.J. Nederveen.
De griffier, de voorzitter,
E.J. Nederveen W. de Wit
De beslissing is op 17 december 2025 in het openbaar uitgesproken.
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bijde Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aande Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;

2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;

3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.