Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHARL:2026:2352

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

Datum uitspraak
14 april 2026
Publicatiedatum
20 april 2026
Zaaknummer
25/1403
Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 lid 1 Wet op de accijnsArt. 2 lid 1 Wet op de accijnsArt. 51 lid 1 Wet op de accijnsArt. 8 lid 1 Accijnsrichtlijn 2008/118/EG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging naheffingsaanslag accijns op onveraccijnsde sigaretten ondanks betwisting betrokkenheid

Belanghebbende, eigenaar van eenmanszaken in verzekeringen en zakelijke dienstverlening, huurde een loods waar douane onveraccijnsde sigaretten aantrof, verpakt als isolatiemateriaal. Tijdens controle bleek dat sigaretten zonder accijnszegel in dozen lagen, bestemd voor transport naar het Verenigd Koninkrijk.

De Inspecteur legde een naheffingsaanslag accijns op van €1.089.760, welke belanghebbende betwistte. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna belanghebbende hoger beroep instelde. Het hof oordeelde dat belanghebbende betrokken was bij het voorhanden hebben van de sigaretten, onder meer door het inkopen van isolatiemateriaal, het opmaken van vrachtbrieven en het beschikbaar stellen van de loods.

Het hof verwierp het verweer dat belanghebbende te goeder trouw was en niet wist van de sigaretten. Het wetenschapsvereiste speelt geen rol bij accijnsverplichtingen. Ook de belastingrente werd bevestigd. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bekrachtigd.

Uitkomst: Het hof bevestigt de naheffingsaanslag accijns van ruim €1 miljoen wegens betrokkenheid bij onveraccijnsde sigaretten en verklaart het hoger beroep ongegrond.

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem
nummer BK-ARN 25/1403
uitspraakdatum: 14 april 2026
Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep van
[belanghebbende]te
[woonplaats](hierna: belanghebbende)
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 15 mei 2025, nummer ARN 23/4434, ECLI:NL:RBGEL:2025:3746, in het geding tussen belanghebbende en
de
inspecteurvan de
Belastingdienst/Kantoor Douane Arnhem(hierna: de Inspecteur)

1.Ontstaan en loop van het geding

1.1.
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag accijns opgelegd van € 1.089.760. Bij beschikking is belastingrente berekend van € 15.498.
1.2.
De Inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar het bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
1.4.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.
1.5.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 maart 2026. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende, bijgestaan door mr. R. Zilver, als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede mr. [naam1] , mr. [naam2] en [naam3] namens de Inspecteur. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat bij deze uitspraak is gevoegd.

2.Vaststaande feiten

2.1.
Belanghebbende drijft onder de naam [handelsnaam1] een eenmanszaak in verzekeringen en hypotheken en onder de naam [handelsnaam2] een eenmanszaak voor zakelijke dienstverlening, import en export.
2.2.
Vanaf 1 augustus 2019 tot en met 31 juli 2021 heeft belanghebbende een loods gehuurd aan [adres loods] in [plaats] (hierna: de loods).
2.3.
Op 23 juni 2021 om ongeveer 19:35 uur hebben douaneambtenaren met instemming van belanghebbende een controle uitgevoerd in de loods. De douaneambtenaren zagen in de loods een stapel met steenwolisolatiemateriaal en achttien pallets met op iedere pallet twee grote bruine kartonnen dozen. Alle dozen hadden een etiket met de vermelding ‘Rockwool, Rocklit Duo New’. Op de vraag van de douaneambtenaren of belanghebbende wist wat er in de dozen zat, heeft belanghebbende geantwoord dat hij dit niet zeker wist en dacht dat isolatiemateriaal in de dozen zat verpakt. Een hondengeleider van de douane heeft vervolgens een diensthond de grote bruine kartonnen dozen laten afzoeken. De hondengeleider heeft vervolgens een doos geopend. Hij trof daarbij pakjes sigaretten van het merk Richmond aan die niet waren voorzien van accijnszegels.
2.4.
Tijdens de controle bevond belanghebbende zich in het kantoorgedeelte van de loods. Na het openen van de dozen in de loods is nogmaals aan hem gevraagd of hij wist wat in de dozen zat. Belanghebbende heeft daarop geantwoord dat hij dit niet zeker wist, dat die avond om ongeveer 20:30 uur een tweede zending zou arriveren en dat de volledige zending vlak daarna weer zou worden opgehaald door een andere vervoerder voor transport naar, waarschijnlijk, Engeland. Belanghebbende is vervolgens onder begeleiding in de kantoorruimte gebleven.
2.5.
Rond 20:48 uur zagen de douaneambtenaren een witte vrachtwagen van het merk DAF, type CF, met kenteken [kenteken] (hierna: de vrachtwagen) de straat in rijden. Op de vrachtwagen stond de vermelding ‘ [handelsnaam3] (…)’. De chauffeur van de vrachtwagen (hierna: de chauffeur) heeft op verzoek van de douaneambtenaren de laadruimte geopend en de douaneambtenaren hebben daarin tien pallets met elk twee grote bruine kartonnen dozen aangetroffen. Alle dozen waren voorzien van een etiket met de vermelding ‘Rockwool, Rocklit Duo New’. In de dozen troffen de douaneambtenaren pakjes sigaretten aan van de merken Richmond en John Player Special Red, die niet waren voorzien van accijnszegels. In één van de dozen troffen de douaneambtenaren ook een gps-tracker aan. In de vrachtwagen zijn verder vier pallets met isolatiemateriaal aangetroffen.
2.6.
Rond 21:15 uur zagen de douaneambtenaren een witte vrachtwagen met de opdruk [naam4] vanuit de [straatnaam1] richting [adres loods] rijden. Het voertuig was voorzien van een Engelse kentekenplaat. De douaneambtenaren zagen dat het voertuig even stil bleef staan, vervolgens linksaf sloeg richting de [straatnaam2] en van de loods vandaan reed. De douane heeft vervolgens met behulp van de aanwezige politieambtenaren het voertuig gestopt. Het voertuig bleek na controle leeg. De Engelssprekende chauffeur van dit voertuig heeft een vervoersdocument overhandigd met de volgende vermeldingen:
“Sender: [handelsnaam2] , [adres loods] [plaats]
Loading place of goods: [plaats] Nederland
Number of packages/Nature of goods: 32 Pallets 64 Boxes, Rockwool Duo Insulation.”
2.7.
De douaneambtenaren hebben vervolgens opsporingsambtenaren van de FIOD ingeschakeld die naar de loods zijn gekomen. De opsporingsambtenaren hebben van hun bevindingen een proces-verbaal opgemaakt. De opsporingsambtenaren hebben de Engelssprekende chauffeur gesproken, die heeft verklaard dat:
- hij in de afgelopen twee maanden circa vijf of zes keer eerder op het adres [adres loods] [plaats] heeft geladen;
- hij steeds 32 pallets heeft geladen;
- zijn lading in de afgelopen twee maanden één keer is gecontroleerd bij Calais en dat er toen isolatiemateriaal is aangetroffen.
2.8.
De opsporingsambtenaren hebben 22 pallets met sigaretten van het merk Richmond en zes pallets van het merk John Player Special in beslaggenomen. Per pallet zaten 160.000 sigaretten verpakt in twee dozen, in totaal 4.480.000 sigaretten. In de loods zijn 2.880.000 aangetroffen en in de vrachtwagen 1.600.000 sigaretten.
2.9.
De FIOD heeft vervolgens een opsporingsonderzoek ingesteld. In het kader van dit opsporingsonderzoek is vastgesteld dat de vrachtwagen eigendom was van [handelsnaam3] uit [vestigingsplaats1] . De FIOD heeft gegevens gevorderd en ontvangen van [handelsnaam3] . Uit deze gegevens blijkt dat de vrachtwagen op 23 juni 2021 is gehuurd bij [handelsnaam3] door de chauffeur.
2.10.
De FIOD heeft facturen aangetroffen van de aankoop van isolatiemateriaal door [handelsnaam2] op de laptop van belanghebbende. De FIOD heeft vervolgens een onderzoek ingesteld bij de leverancier en informatie opgevraagd over alle leveringen aan [handelsnaam2] . De FIOD heeft drie facturen van de leverancier ontvangen met de data 25 mei 2021, 31 mei 2021 en 14 juni 2021. Op de facturen is onder meer het volgende vermeld:
Factuurdatum Aantal Factuurbedrag
25 mei 2021 64 pakken 6pl/pak € 1.292,80
31 mei 2021 43 pakken 15pl/pak € 1.202,71
14 juni 2021 32 pakken 15pl/pak € 950,40
2.11.
De FIOD heeft telefonisch contact opgenomen met de leverancier met de vraag hoeveel pallets de aankopen betroffen. De leverancier heeft daarop het volgende antwoord gegeven:
  • 25 mei 2021: drie of vier pallets
  • 31 mei 2021: drie pallets
  • 14 juni 2021: twee pallets
2.12.
De FIOD heeft op het kantoor van de loods administratieve bescheiden in beslag genomen, waaronder zes sets vrachtbrieven. Het gaat om zes zendingen van [handelsnaam2] aan [handelsnaam4] (hierna: [handelsnaam4] ) met een adres in het Verenigd Koninkrijk in de periode van 18 mei 2021 tot en met 24 juni 2021. Bij de meeste vrachtbrieven zijn facturen gevoegd. De vrachtbrieven vermelden de volgende hoeveelheden:
Datum vrachtbrief Pallets Dozen Gewicht (kg)
18-05-2021 30 60 990
26-05-2021 32 64 1130
01-06-2021 32 60 1190
09-06-2021 30 60 1190
15-06-2021 32 1215
24-06-2021 32 64 1265
De vrachtbrief van 24 juni 2021 betreft de zending die in beslag is genomen door de FIOD. Deze vrachtbrief is derhalve niet verzonden naar [handelsnaam4] .
2.13.
Belanghebbende is twee keer verhoord door opsporingsambtenaren van de FIOD. Hij heeft daar bij onder meer het volgende verklaard op de vraag wat voor activiteiten [handelsnaam2] onderneemt:
“(…)
Aan het begin van dit jaar heb ik 1 dienst geleverd en voor de rest kan ik geen antwoord geven. De dienst bestond uit inpakken, ompakken en versturen. Dit betrof isolatiemateriaal en bouwmateriaal. Deze klant is via iemand bij mij binnen gekomen, ik weel niet wie dat was Er zijn ook klanten die ik afwijs omdat het teveel werk was en deze klant kon ik wel behappen De klant was op zoek naar iemand die bouwmaterialen kon versturen naar Engeland omdat daar vraag voor was. Ik had dat nog nooit eerder gedaan. Die klant heeft mij in februari zelf benaderd voor deze vraag. De klant is [handelsnaam4] . Het was geen Nederlandse sprekende meneer die dit vroeg maar een man die in Engelse taal met mij sprak. Ik heb voor hem isolatie ingekocht. Die inkoop heb ik via de bank betaald. Ik heb de inkoop van het isolatiemateriaal betaald van de zakelijke rekening. Deze staat op naam van [handelsnaam2] . Ik weet het bankrekeningnummer niet uit mijn hoofd. Ik heb de inkopen betaald van mijn zakelijke rekening, ik kan mij niet voorstellen dat dat met een ander rekeningnummer is betaald. [handelsnaam4] heeft niet op de zakelijke rekening betaald, ze moeten nog steeds betalen. Ik heb een stuk of 5 leveringen gedaan naar [handelsnaam4] . Ze hebben wel een deel betaald op een vreemde manier, ze stuurde mij de 23e een berichtje via e telefoon dat ze geld in de brievenbus hadden gedaan De persoon die dit stuurde ken ik niet bij naam. Deze persoon regelde het volgens mij organisatorisch maar was volgens mij niet van [handelsnaam4] . Waarom ik dat denk weet ik niet precies. Ik heb zelf nooit contact gezocht met [handelsnaam4] . Ik vond het wel raar dat ze het geld in de brievenbus hebben gedaan. Ik was er niet bij dus ik weet niet of hij het in de brievenbus heeft gedaan, dat is een wilde gok. Er is gezegd er is geld in je brievenbus gedaan. Als u mij vraagt hoeveel geld er in de brievenbus dan kan ik u zeggen dat het om € 6000,00 gaat. Ik weel wel dat het te weinig was. Volgens de facturen zit ik op 96 dus ik kom ruim 35 te kort.
Ik heb slechts 1 keer die € 6000 ontvangen en het bedrag van 96 is voor die 5 transporten totaal. Ik heb wel een paar keer een reminder gestuurd per mail om het geld te vragen. Ik ken me geen naam herinneren naar wie ik die mail gestuurd heb. Toen die man zich melde om voor hen de bouwmaterialen te versturen heb ik het bedrijf [handelsnaam4] wel opgezocht op het internet. Ik zag dat het een groot bedrijf was. De man in Nederland zat er dus tussen en ik heb dus zelf geen afspraken gemaakt met [handelsnaam4] . De man in Nederland sprak Engels met mij. Hij regelde alles, ze hebben bij mij inpak gedaan, inkoop gedaan van bouwmaterialen en hij zorgde ervoor dat de materialen werden opgehaald. Ik heb van 2 vrachten de inkopen niet gedaan. Ik heb het een paar keer zelf omgepakt. Ik heb ook hen mee geholpen om de materialen om te pakken naar de grote dozen De man die Engels sprak was daar ook bij aanwezig en hielp ook mee. Er waren nog meer mensen aanwezig om te helpen en dat waren volgens mij oost Europeanen. Ik vermoed dat ze daar vandaan kwamen vanwege hun taal. De Nederlandse man had 1 man mee genomen en die had ook een ander mee genomen. De Nederlandse man deed eigenlijk weinig want hij had lichamelijke klachten. Die twee oost Europeanen waren aan het werk, je kon wel zien dat ze het vaker hadden gedaan want ze hadden wel een hoog tempo. De materialen om om te pakken namen ze zelf mee. Ik hoefde alleen maar de ruimte ter beschikking te stellen. Dat ompakken op mijn locatie zal twee of drie keer geweest zijn. De eerste twee keer van de vijf levering heb ik zelf geregeld maar qua tijd lukte het niet meer en heb dan aan hen gezegd dat ze het zelf moeten regelen. De zaterdag voor 23 juni kwamen ze bij mij de isolatie materiaal op halen en ze gingen het zelf ompakken op een andere locatie en toen is het woensdag 23 juni weer terug gebracht. Ik verzorgde de papieren en daarom is de isolatie materiaal terug gekomen. Van mijn adres zou het de volgende dag worden geladen worden. De Engels sprekende man die in Nederland was zou het transport regelen. Ik had zelf geen contact met de transporteur. De Engels sprekende man vertelde mij wanneer de transporteur zou komen. Als het lang duurde nam ik contact met de Engels sprekende man en vroeg wanneer de transporteur zou komen en dan ging die bellen. Ik heb met de man per keer af wat de kosten waren. Ik heb niks vastgelegd, alles was mondeling afgesproken. Ik ga niet vergeten wat ik moet factureren Ik doe wat op de inkoopprijs, ik had geen vaste marge, de concurrentie is groot. Ik factureerde ook wat op dienstverlening.
(…)
V: Wie doet de administratie van [handelsnaam2] en op welke wijze?
A: Ik doe het zelf, ik ben wel heel slordig in. Ik deed facturen en de BTW aangifte.
(…)
V: Wie had toegang in de loods op het adres [adres loods] in [plaats] ?
A: De verhuurder en ik konden er in. Ik heb wel eens de sleutel uitgeleend maar zeg niet aan wie. Ik kwam zelf 1 a 2 keer per week in de loods, dan kon ik op mijn gemakkie mijn assurantie dingetjes doen. Als ik de sleutel ter goede trouw heb uitgeleend en daar een vergoeding voor kreeg dan weet ik niet wie daar in de loods waren en hoeveel mensen. Ik heb ze niet specifiek gevraagd wat ze daar deden. Ik ga er vanuit dat ze daar isolatiemateriaal gingen ompakken. Het zou kunnen dat de Engels sprekende man uit Nederland of die 2 andere mannen de sleutel hebben geleend. De vergoeding zou dan in de facturering zitten als dat zo zou zijn.
(…)
V: Waarom was u op 23 juni 2021 aanwezig in de loods op het adres [adres loods] in [plaats] ?
A: Omdat de isolatie materiaal terug gebracht zou worden voor verzending. Dat werd mij verteld door de Engels sprekende man. Hij gaf niet aan wie er kwam maar wel hoe laat de levering zou komen. Ik was een beetje boos want hij belde vlak voor etenstijd. Ik was toen in [woonplaats] . Of zeg ik het nou goed, het was volgens mij de tweede keer. Ik ben die dag een paar keer heen en weer gegaan naar [plaats] . Bij de eerste lading bleek dat het maar de helft van de spullen was. De chauffeur die bij mij kwam om de spullen te brengen vertelde mij dat hij dit moest komen brengen en hij zou nog een keer komen om het restant te komen brengen. Er zat een groot gat in van 2 uur en waar hij heen gereden is weet ik niet. Hij zou na het eten komen voor de tweede lading. Ik denk dat hij rond 20.00 weer zou komen.
(…)
V: Wie maakte deze CMR-documenten op?
A: Dat heb ik zelf gemaakt. Ik wist de hoeveelheid wat ik op moest maken, ik denk dat ze de gegevens aan mij hebben doorgegeven. Dat zal door de Engels sprekende man in Nederland zijn doorgegeven. Ik denk dat ik deze CMR de 23e juni heb opgemaakt. Ik had iets verkeerds gedaan, toen belde die mevrouw dat er iets verkeerds was gegaan, ik denk dat er iets met het factuurnummer fout was gegaan. Het export document werd door een bedrijf in [vestigingsplaats2] opgemaakt, ik weet niet meer hoe het bedrijf heet. Ik betaalde rond de € 50. Ik betaalde de factuur via de zakelijke rekening van [handelsnaam2] . Als u mij vraagt of er nog een andere firma is geweest die voor mij export documenten heeft gemaakt kan ik u zeggen ik denk het niet.
(…)
V: Hoe verloopt het proces vanaf het plaatsen van de order door [handelsnaam4] tot aan de betaling aan [handelsnaam2] door [handelsnaam4] ?
A: Rommelig, het liep via de Engelssprekende man in Nederland. Die nam contact met mij op om het in te kopen, of om te verpakken. Ik weet niet of hij altijd op dezelfde manier contact met mij op nam. Hij kon ook wel eens voor de deur staan. Hij vroeg of ik isolatie materiaal voor hem in wilde kopen. Hij vroeg niet specifiek naar een bepaalde soort maar om een bepaalde dikte. Ik belde hem op en vertelde hem welk isolatie materiaal ik kon krijgen. Dezelfde dag kreeg ik te horen wat ik kon kopen en ik hoefde met hem niet te onderhandelen over prijzen. Hij heeft wel onderhandeld over de prijs inclusief dienstverlening. Hij gaf telefonisch akkoord voor de prijzen. Er is niks op schrift gesteld. Achteraf had ik alles beter op papier kunnen hebben omdat de betaling achterwege bleef. Ik denk dat ik offertes heb opgevraagd voor het kopen van de isolatie materiaal. Dan kun je overleggen over de prijzen. Dat lijkt me wel een logische volgorde. Ik heb niet per definitie afspraken gemaakt over de levering naar [handelsnaam4] . Termijn zou zijn over een paar dagen, niet te lang in de opslag. De opslag moest uiteraard ook worden betaald, dat zat bij de factuur in. Ik heb wel links en rechts offertes gevraagd maar had geen vaste leverancier. Ik weet er wel eentje, dat is de [handelsnaam5] .nl. Ik weet niet of ik bij andere bedrijven heb besteld. Ik was op zoek naar snelle leveringen van het materiaal. De Engelssprekende persoon gaf alle gegevens door die op de factuur moesten komen. Ik stuurde de factuur via de e-mail naar [handelsnaam4] . Ik weet het e-mail adres niet meer, ik heb het adres er uit gegooid. Het was een g-mail adres. De Engelssprekende man had een e-mail adres aangemaakt, het was een g-mail account. Ik stond daar ingelogd. Dat heeft de Engelssprekende man gedaan. Als u zegt dat u het raar vindt dat de Engelssprekende man die u verder niet kent op uw computer bezig vindt, zeg ik u dat ik dat niet raar vond maar achteraf gezien vond ik het wel raar. Ik weet achteraf wel waarom voor deze constructie gekozen is, ik had geen argwaan, ben goed van vertrouwen misschien wel een beetje naïef. Als u mij vraagt of na het leveren aan [handelsnaam4] nog contact hebt gehad over de zending vertelde de Engels sprekende man mij dat de zending keurig was aangekomen.
(…)
V: Wie is de transporteur van de leveringen van [handelsnaam2] aan [handelsnaam4] ?
A: Ik heb elke keer een andere chauffeur gezien. Ik heb er eentje twee keer gezien. Dat was de chauffeur die ook de 23e juni aanwezig was. Het was volgens mij wel elke keer hetzelfde transport bedrijf. Die is ook geregeld door de Engelssprekende man. Ik wil de naam van deze Engels sprekende man niet noemen omdat ik niet weet wat de gevolgen kunnen zijn. Ik heb bij de eerste ontmoeting van deze man een kaartje gehad waarop ook het bedrijf [handelsnaam4] op stond. Ik wil de naam niet zeggen vanwege de mogelijke persoonlijke gevolgen.
(…)
V: De vraag wordt opnieuw gesteld, wilt u nog iets toevoegen aan uw verklaring?
A: ik heb niets met die sigaretten te maken. Op uw opmerking waarom ik geen aangifte heb gedaan, ik heb geen aangifte gedaan omdat ik vrees voor represailles richting mij en mijn gezin.
(…)”
2.14.
Ook de chauffeur is verhoord door opsporingsambtenaren van de FIOD. Hij heeft zich beroepen op zijn zwijgrecht.
2.15.
Bij brief van 21 maart 2022 heeft de Inspecteur aan belanghebbende zijn voornemen tot het opleggen van een naheffingsaanslag accijns kenbaar gemaakt. Bij brief van 20 april 2022 is namens belanghebbende op dit voornemen gereageerd. Bij brief van 22 april 2022 heeft de Inspecteur hierop gereageerd en geen aanleiding gezien af te wijken van zijn voornemen.
2.16.
Met dagtekening 12 mei 2022 is de naheffingsaanslag van € 1.089.760,00 aan belanghebbende opgelegd. De Inspecteur is hierbij uitgegaan van een tarief van € 243,25 per duizend sigaretten en 4.480.000 sigaretten.

3.Geschil

In geschil is of de naheffingsaanslag terecht en tot de juiste hoogte is vastgesteld.

4.Beoordeling van het geschil

4.1.
Artikel 1, lid 1, aanhef en onder f, van de Wet op de accijns (hierna: WA) wordt onder de naam accijns een belasting geheven van tabaksproducten. In het tweede lid is bepaald dat de accijns verschuldigd wordt ter zake van de uitslag tot verbruik van de in het eerste lid bedoelde goederen.
4.2.
In artikel 2, lid 1, onder b, van de WA wordt bepaald dat wordt verstaan onder uitslag tot verbruik het voorhanden hebben of opslaan van een accijnsgoed, ook in gevallen van onregelmatigheid, buiten een accijnsschorsingsregeling wanneer over dat goed geen accijns is geheven overeenkomstig de toepasselijke bepalingen van het Unierecht en de nationale wetgeving.
4.3.
Artikel 51, eerste lid, aanhef en onder b, van de WA bepaalt dat de accijns wordt geheven van de persoon die de accijnsgoederen voorhanden heeft of opslaat, en enig ander person die bij het voorhanden hebben of opslaan betrokken is.
4.4.
Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft over het begrip ‘voorhanden hebben’ zoals dat is opgenomen in de Accijnsrichtlijn het volgende overwogen: [1]
“(…) 24 Het begrip persoon die goederen „voorhanden heeft” ziet in het gewone spraakgebruik op een persoon die deze goederen fysiek in zijn bezit heeft. In dit verband is het niet relevant of de betrokken persoon een recht of enig belang kan doen gelden met betrekking tot de goederen die hij voorhanden heeft.
(…)
28 Net zoals artikel 33, lid 3, van richtlijn 2008/118 bevat artikel 8, lid 1, onder b), van deze richtlijn geen uitdrukkelijke definitie van het begrip „voorhanden hebben” en vereist het niet dat de betrokken persoon een recht of enig belang kan doen gelden met betrekking tot de goederen die hij voorhanden heeft, noch dat hij weet of redelijkerwijs had behoren te weten dat op grond van die bepaling de accijns verschuldigd wordt.
(…)
30 Hieruit volgt dat in de gevallen waarin de Uniewetgever in richtlijn 2008/118 wenste dat er bij de vaststelling van de persoon die tot voldoening van de accijns gehouden is, rekening wordt gehouden met een element van opzet, hij in die richtlijn een uitdrukkelijke bepaling in die zin heeft opgenomen.(…)”
4.5.
Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft in een uitspraak van 18 januari 2019 het volgende overwogen over het begrip ‘betrokken zijn’: [2]
“(…) 4.5. Het Hof stelt voorop dat het begrip ‘betrokken zijn bij het voorhanden hebben’ in de Richtlijn niet nader is uitgewerkt. Aangezien ook de wettekst geen definitie bevat van dit begrip, dient dit begrip – gelet op onder meer rechtsoverwegingen 19 en 20 uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 14 mei 1985, C-139/84 (Van Dijk’s Boekhuis), ECLI:EU:C:1985:195, – mede te worden uitgelegd aan de hand van het spraakgebruik. Zoals de Rechtbank heeft geoordeeld wordt onder ‘betrokken zijn’ verstaan volgens het Groot woordenboek van de Nederlandse taal: ‘in iets gemoeid zijn’. In het spraakgebruik wordt ook wel gesproken over ‘ergens mee te maken hebbend’.
(…) Het maakt naar het oordeel van het Hof niet uit of die betrokkenheid betrekking heeft op het feitelijke logistieke proces, zoals bijvoorbeeld vervoer en opslag, dan wel de administratieve en financiële afwikkeling van het proces waarbij sprake is geweest van het voorhanden hebben in de zin van artikel 7, tweede lid, onder b, van de Richtlijn. (…)”
4.6.
De Hoge Raad overwoog in cassatie daarover het volgende: [3]
“3.2 Onder ‘betrokken zijn’ bij het voorhanden hebben van accijnsgoederen waarover geen accijns is geheven (als bedoeld in artikel 51, lid 1, aanhef en letter b, van de Wet en artikel 8, lid 1, aanhef en letter b, van de Accijnsrichtlijn), moet worden begrepen het verhandelen van dergelijke accijnsgoederen ten behoeve van degene die de goederen voorhanden heeft. Tot dat verhandelen moet worden gerekend het in opdracht van diegene optreden als doorgeefluik van de koopsommen voor de desbetreffende accijnsgoederen, door die koopsommen met gebruikmaking van valse facturen op een eigen bankrekening te ontvangen en vervolgens aan de opdrachtgever af te geven. Dat bij het verstrekken van dergelijke opdrachten niet erbij wordt verteld op welke verkoop en op welke accijnsgoederen de koopsom specifiek betrekking heeft, zoals het middel kennelijk wil betogen, doet aan het op die grond verschuldigd zijn van de accijns niet af.”
4.7.
De Hoge Raad heeft op 20 februari 2026 over ‘het betrokken zijn bij voorhanden hebben’ als volgt overwogen: [4]
“3.3 (…) Voor het aannemen van betrokkenheid bij het voorhanden hebben van accijnsgoederen in de zin van artikel 51, lid 1, letter b, van de Wet volstaat niet de vaststelling dat de desbetreffende persoon is aangetroffen op een locatie waar een of meer accijnsgoederen zich buiten een accijnsschorsingsregeling bevinden en over welke accijnsgoederen geen accijns is geheven overeenkomstig de toepasselijke bepalingen van het Unierecht en de nationale wetgeving. De opvatting dat deze persoon vanwege zijn aanwezigheid een risicoaansprakelijkheid voor de heffing van accijns draagt, vindt geen steun in het Unierecht. Risicoaansprakelijkheid voor de heffing van accijns heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie alleen aangenomen voor de natuurlijke of rechtspersoon die een vergunning heeft om bij de bedrijfsuitoefening accijnsgoederen te produceren, te verwerken, voorhanden te hebben, te ontvangen en te verzenden en die berust op deelname aan een economische activiteit. [5] (…)
3.4
De middelen kunnen echter niet tot cassatie leiden. De stukken van het geding laten geen andere conclusie toe dan dat de hiervoor in 2.1 bedoelde loods werd gebruikt voor de tijdelijke opslag van buiten een accijnsschorsingsregeling vervaardigde sigaretten en dat de verpakkingen van de aldaar opgeslagen sigaretten niet waren voorzien van het in Nederland vereiste accijnszegel en dat in die loods dozen sigaretten na lossing ervan uit een voertuig in de loods werden gesorteerd en op pallets gestapeld met het oog op verder vervoer en distributie. De stukken van het geding laten ook geen andere conclusie toe dan dat belanghebbende in het kader hiervan de opdracht had aangenomen, van de persoon die op 4 juni 2018 ter plaatse de fysieke beschikkingsmacht over de sigaretten had, om die dag in de loods tegen vergoeding dozen te sjouwen en op pallets te stapelen. In deze omstandigheden moet belanghebbende worden beschouwd als betrokken bij het voorhanden hebben van accijnsgoederen in de zin van artikel 51, lid 1, letter b, van de Wet, in samenhang gelezen met artikel 8, lid 1, van Richtlijn 2008/118/EG (oud). Dat bij het verstrekken van een dergelijke opdracht hem niet is verteld dat het gaat om dozen die zijn gevuld met sigaretten waarover niet volgens de geldende bepalingen accijns is geheven, doet niet af aan het verschuldigd worden van de accijns op grond van betrokkenheid bij het voorhanden hebben. Dus ook in het geval dat een opdrachtnemer niet weet dat de dozen waarop een dergelijke opdracht ziet, zijn gevuld met pakjes sigaretten of – indien hij daarvan wel op de hoogte is – niet weet dat deze niet zijn voorzien van het in Nederland vereiste accijnszegel, kan die persoon op grond van betrokkenheid als bedoeld in artikel 51, lid 1, aanhef en letter b, van de Wet toch als belastingplichtige worden aangemerkt. [6]
3.5
Gelet op hetgeen hiervoor in 3.4 is overwogen, is belanghebbende terecht als belastingplichtige aangemerkt. Daaraan doet niet af dat belanghebbende – zoals hij voor het Hof heeft aangevoerd – bij de inval door de Belastingdienst/FIOD in de loods op 4 juni 2018 is aangehouden voordat hij aan het sjouwen en op pallets plaatsen van de ter plaatse aangetroffen dozen heeft kunnen toekomen. Doorslaggevend is dat belanghebbende die dag met dat doel voor ogen de loods is binnengegaan en het buiten zijn wil niet tot het uitvoeren van die handelingen is gekomen.”
4.8.
Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende de sigaretten die zich bevonden in de loods voorhanden heeft gehad.
4.9.
Belanghebbende stelt primair dat hij geen wetenschap had van de sigaretten, hij te goeder trouw was en hij was niet in voldoende mate betrokken het voorhanden hebben van de sigaretten om een naheffingsaanslag accijns te kunnen rechtvaardigen. De sigaretten lagen in dozen die waren verpakt als isolatiemateriaal en de dozen waren afgesloten, zodat de sigaretten niet zichtbaar waren. Ook heeft belanghebbende gewezen op de rechtspraak van de Hoge Raad dat een werknemer zich kan disculperen. [7] Belanghebbende stelt zich subsidiair op het standpunt dat hij niet betrokken is geweest bij het voorhanden hebben van de sigaretten in de vrachtwagen.
4.10.
Het Hof volgt belanghebbende niet in zijn stelling dat aan hem geen naheffingsaanslag kan worden opgelegd omdat hij niet zou hebben geweten dat er onveraccijnsde sigaretten in de dozen zaten, en hij in dat opzicht te goeder trouw was geweest. Het wetenschapsvereiste speelt namelijk geen rol bij de vraag of iemand accijns verschuldigd is wegens het voorhanden hebben danwel het betrokken zijn bij het voorhanden hebben van accijnsgoederen. In het geval dat belanghebbende wordt gevolgd in zijn stelling dat hij niet wist dat de dozen waren gevuld met pakjes sigaretten of – indien hij daarvan wel op de hoogte was – niet wist dat deze niet waren voorzien van het in Nederland vereiste accijnszegel, kan belanghebbende op grond van het voorhanden hebben of betrokkenheid daarbij als bedoeld in artikel 51, lid 1, aanhef en letter b, van de WA toch als belastingplichtige worden aangemerkt. [8] Aan de vraag of belanghebbende te goeder trouw is komt het Hof dus niet toe. Weliswaar heeft de Hoge Raad aanvaard dat onder omstandigheden een
werknemerzich kan disculperen, maar belanghebbende is geen werknemer zodat deze disculpatiegrond hier reeds om die reden niet van toepassing is. [9]
4.11.
Ten aanzien van de sigaretten die zijn aangetroffen in de vrachtwagen, is niet in geschil dat niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende deze fysiek in bezit heeft gehad en dus voorhanden had. Tussen partijen is wel in geschil of belanghebbende betrokken is geweest bij het voorhanden hebben van deze sigaretten.
4.12.
Het Hof is van oordeel dat belanghebbende betrokken was bij het voorhanden hebben van deze sigaretten. Belanghebbende heeft een belangrijke rol gespeeld bij de voorgenomen verzending van de aangetroffen onveraccijnsde sigaretten naar het Verenigd Koninkrijk. De handelingen die belanghebbende heeft verricht, zoals het inkopen van isolatiemateriaal, het opmaken van de vrachtbrief en de factuur waarvan hij wist dat deze niet uitsluitend het door hem ingekochte isolatiemateriaal betrof en het beschikbaar stellen van de loods in afwachting van transport naar het Verenigd Koninkrijk, brengen met zich dat hij betrokken is geweest bij het voorhanden hebben van de sigaretten die zijn aangetroffen in de vrachtwagen. Voor dergelijke betrokkenheid is niet vereist dat belanghebbende wetenschap moet hebben dat sprake is van goederen waarvan de accijns niet is betaald. Belanghebbende is derhalve ook voor de sigaretten in de vrachtwagen terecht aangemerkt als belastingplichtige.
Belastingrente
4.13.
Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft hiertegen geen zelfstandige grieven aangevoerd. Het hoger beroep is ook in zoverre ongegrond.
SlotsomOp grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5.Griffierecht en proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.

6.Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E. Keulemans, voorzitter, mr. M. Harthoorn en mr. R.A. Wolf, in tegenwoordigheid van mr. G.J. van de Lagemaat als griffier.
De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 april 2026.
De griffier, De voorzitter,
(G.J. van de Lagemaat) (A.E. Keulemans)
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie
www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Voetnoten

1.Hof van Justitie 10 juni 2021, WR, C‑279/19, ECLI:EU:C:2021:473.
2.Hof ‘s-Hertogenbosch 18 januari 2019, ECLI:NL:GHSHE:2019:162.
3.HR 5 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:169.
4.HR 20 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:282.
5.Vgl. HvJ 7 september 2023, KRI SpA, C-323/22, ECLI:EU:C:2023:641, punt 56 en aldaar aangehaalde rechtspraak.
6.Naar analogie HvJ 10 juni 2021, WR, C-279/19, ECLI:EU:C:2021:473, punten 28 tot en met 34, en HR 5 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:169, rechtsoverweging 3.2.
7.HR 29 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:659.
8.HR 20 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:282
9.Hoge Raad 29 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:659.