ECLI:NL:HR:2022:1090

Hoge Raad

Datum uitspraak
15 juli 2022
Publicatiedatum
14 juli 2022
Zaaknummer
21/01868
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping cassatieberoep inzake ontslag als bestuurder na bestuurscrisis

In deze zaak heeft eiser cassatieberoep ingesteld tegen de arresten van het gerechtshof Amsterdam betreffende zijn ontslag als bestuurder van Stichting Islamitisch Onderwijs Nederland (SIO) na een bestuurscrisis.

De procedure kende een uitgebreid verloop met eerdere vonnissen van de rechtbank Amsterdam en arresten van het hof Amsterdam. De Hoge Raad heeft de motiveringsklachten van eiser tegen het oordeel van het hof dat hij geen belang had bij het beroep op vernietigbaarheid van het ontslag beoordeeld.

De Hoge Raad oordeelt dat deze klachten niet leiden tot vernietiging van de arresten van het hof. Daarbij is het niet nodig om inhoudelijk in te gaan op de vragen die relevant zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 RO Pro.

De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en veroordeelt eiser in de kosten van het geding in cassatie. De uitspraak bevestigt daarmee het ontslag van eiser als bestuurder en de rechtmatigheid van de eerdere uitspraken.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het ontslag als bestuurder wordt bevestigd.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer21/01868
Datum15 juli 2022
ARREST
In de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
hierna: [eiser],
advocaat: J.P. van den Berg,
tegen
STICHTING ISLAMITISCH ONDERWIJS NEDERLAND,
gevestigd te Amsterdam,
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: SIO,
advocaat: E.M. Tjon-En-Fa.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
het vonnis in de zaak C/13/684624/KG ZA 20-479 van de rechtbank Amsterdam van 10 juni 2020;
de arresten in de zaak 200.280.119/01 van het gerechtshof Amsterdam van 2 maart 2021 en 6 april 2021.
[eiser] heeft tegen de arresten van het hof beroep in cassatie ingesteld.
SIO heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaak is voor SIO toegelicht door haar advocaat.
De conclusie van de Advocaat-Generaal B.F. Assink strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van [eiser] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2.Beoordeling van het middel

De Hoge Raad heeft de klachten over de arresten van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die arresten. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad:
  • verwerpt het beroep;
  • veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van SIO begroot op € 916,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien [eiser] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Dit arrest is gewezen door de president G. de Groot als voorzitter en de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, C.H. Sieburgh, A.E.B. ter Heide en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer H.M. Wattendorff op
15 juli 2022.