Conclusie
1.De feiten
hof). [2]
SIO) bestuurt in Amsterdam de school voor voortgezet onderwijs op islamitische grondslag, het Cornelius Haga Lyceum (hierna: het
Haga).
Bestuur
3. Het bestuur bestaat uit maximaal tien toezichthoudende bestuursleden, hierna te noemen het algemeen bestuur en één uitvoerend bestuurslid, hierna te noemen het dagelijks bestuur of de directeur-bestuurder.
(…)
(…)
(…)
[betrokkene 1]) en [eiser] (secretaris, hierna:
[eiser]) vormden samen het algemeen bestuur. [betrokkene 2] (hierna:
[betrokkene 2]) was de directeur-bestuurder.
Artikel 3 - Bestuur en intern toezicht
(…)
(…)
(…)
(…)
(…)
(…)
(…)
(…)
8. Het intern toezicht beslist als werkgever over de profielschets, benoeming, arbeidsvoorwaarden en beloning en beoordeling, schorsing en ontslag van de leden van het bestuur.
(…)”
(…)
(…)”
Inspectie) heeft op 29 mei 2019 een rapport opgesteld betreffende het Haga en SIO. In dit rapport worden tekortkomingen geconstateerd als het gaat om de kwaliteit van bestuur, het financieel beheer en het onderwijs. De Inspectie heeft aan het bestuur herstelopdrachten gegeven en aanbevelingen voor verbetering gedaan. De Inspectie heeft ook te kennen gegeven er geen vertrouwen in te hebben dat het huidige bestuur in staat zal zijn om aan de herstelopdrachten te voldoen. De minister heeft op basis van het Inspectierapport geoordeeld dat sprake is van ernstig bestuurlijk tekortschieten door SIO. Volgens de minister was sprake van wanbeheer in de zin van art. 103g lid 2 van de Wet op het Voortgezet Onderwijs. De situatie vereiste volgens de minister in dit geval dat het gehele schoolbestuur zou worden vervangen, reden waarom de minister een aanwijzing met die strekking aan SIO heeft gegeven. Dit besluit is door de rechtbank Amsterdam op 20 januari 2020 vernietigd. [3] In de periode maart-juli 2020 is de Inspectie begonnen met het herstelonderzoek bij SIO, welk onderzoek zich richtte op de vraag of de tekortkomingen zoals geconstateerd in het rapport uit mei 2019 hersteld waren. Hangende dit (tweede) onderzoek van de Inspectie gedurende de eerste helft van 2020 ontstond de hierboven weergegeven bestuurscrisis.
2.Het procesverloop
In eerste aanleg
- op geen enkele manier contact te hebben met het personeel en de leerlingen, de ouders van de leerlingen en alle andere op enigerlei wijze bij het Haga betrokken personen;
vonnis) heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de
voorzieningenrechter) de in conventie gevraagde voorzieningen geweigerd en [betrokkene 2] en [eiser] in de kosten veroordeeld van dat geding. In reconventie heeft de voorzieningenrechter, eveneens uitvoerbaar bij voorraad en zakelijk weergegeven:
arrest) heeft het hof het vonnis bekrachtigd, [eiser] in het incident niet-ontvankelijk verklaard en [eiser] , uitvoerbaar bij voorraad, veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep, een en ander met afwijzing van het meer of anders gevorderde. Daartoe heeft het hof onder meer als volgt overwogen:
3. Beoordeling(…)
De voorzieningenrechter heeft de door [betrokkene 2] en [eiser] gevorderde voorzieningen geweigerd en in reconventie [betrokkene 2] veroordeeld tot afgifte van de hierboven onder II genoemde zaken [bedoeld zijn kennelijk de bescheiden, waaronder de sleutels van het schoolgebouw, etc., zoals genoemd onder 2.2 sub I hiervoor, A-G], op straffe van een dwangsom van € 2.500,- voor iedere dag dat hij hiermee in gebreke zou blijven tot een maximum van € 50.000,-.
Tegen dit oordeel komt [eiser] op onder aanvoering van veertien grieven.
Grief 3 tot en met 9lenen zich voor gezamenlijke behandeling en richten zich, samengevat, tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat aannemelijk is dat in een bodemprocedure het ontslag besluit van 27 mei 2020 ten aanzien van [eiser] stand zal houden.
In zijn toelichting op deze grieven betoogt [eiser] , zakelijk weergegeven, dat het op 27 mei 2020 genomen ontslagbesluit nietig is op grond van artikel 2:14 lid 1 BW Pro en/of vernietigbaar op grond van artikel 2:15 lid 1 sub a BW Pro. [eiser] voert hiertoe aan:
- i) dat in de oproep voor deze vergadering van 12 mei 2020 niet was vermeld dat zijn ( [eiser] ) ontslag als bestuurder op de agenda stond, maar dat dit pas op 26 mei 2020 aan de agenda is toegevoegd, hetgeen in strijd is met de artikelen 10 lid 3 en 12 lid 4 van de statuten;
- ii) dat het besluit niet is genomen met het krachtens artikel 12 lid 2 van Pro de statuten voorgeschreven quorum aan stemmen.
Aan [eiser] kan worden toegegeven dat de oproep van 12 mei 2020 in strijd met artikel 10 lid 3 van Pro de statuten niet het onderwerp van zijn ontslag behelst, zodat het besluit in beginsel op grond van artikel 2:15 lid 1 sub a BW Pro vernietigbaar is. Aan [eiser] komt evenwel een dergelijk beroep op vernietigbaarheid niet toe, nu hij geen belang hierbij heeft. Uit hetgeen hierna onder (ii) zal worden overwogen ten aanzien van uitleg van de statuten van SIO, volgt dat ten tijde van het ontslag van [eiser] de samenstelling van het bestuur zodanig was dat hij - hoe dan ook - zijn ontslag niet had kunnen voorkomen. Hiermee komt het belang te ontvallen aan zijn beroep op vernietigbaarheid wegens het feit dat de oproep van 12 mei 2020 niet het onderwerp van zijn ontslag behelsde. Daarbij komt dat de strekking van de artikelen 10 lid 3 en 12 lid 4 van de statuten is, dat de bestuurder in kwestie in de gelegenheid wordt gesteld zijn zienswijze op het voorgenomen ontslag kenbaar te maken en hieromtrent gehoord te worden. De advocaat van [eiser] heeft voorafgaand aan de vergadering van 27 mei 2020, bij e-mail van diezelfde ochtend inhoudelijk gereageerd op het voorgenomen ontslag en de zienswijze van [eiser] daarop kenbaar gemaakt, zodat ook om die reden [eiser] niet geschaad is in zijn belangen.
Vervolgens is in de artikelen 6 en 7 van de statuten een duidelijk onderscheid aangebracht tussen enerzijds de taken van het Dagelijks Bestuur (de directeur-bestuurder) en anderzijds de taken van het Algemeen Bestuur. In het kopje van artikel 10 van Pro de statuten is vermeld dat dit artikel de vergaderingen van het Algemeen Bestuur betreft. In het kopje van de artikelen 11 en 12 van de statuten is niet vermeld of deze artikelen alleen zien op besluitvorming door het Algemeen Bestuur of op besluitvorming door het volledige bestuur, inclusief de bestuurder-directeur. Anders dan door [eiser] betoogd, volgt hieruit echter niet zonder meer dat (dus) bedoeld is dat deze artikelen gaan over besluitvorming door het voltallige bestuur, dat wil zeggen inclusief de directeur-bestuurder.
Bij de vraag hoe artikelen van statuten moeten worden uitgelegd, dient naast de tekst van de betreffende bepalingen ook belang gehecht te worden aan de overige tekst van de statuten, de wettekst en de bedoelingen van de wetgever, alsmede aan een toepasselijk Huishoudelijk Reglement. Tevens kan meewegen de aannemelijkheid van de (rechts)gevolgen waartoe de onderscheidene interpretaties leiden en de vraag in hoeverre deze redelijk zijn.
Zowel de artikelen 24d, 24e en 24e1 [bedoeld zal zijn: 24e1, A-G] van de Wet op het Voortgezet Onderwijs (WVO) als de Code VO voorzien in een (strikte) scheiding tussen enerzijds het uitvoerend bestuur in de persoon van de bestuurder-directeur en eventuele (school)directeuren, en anderzijds het toezicht op het uitvoerend bestuur door het Algemeen Bestuur. Ook in het Huishoudelijk Reglement is een dergelijke scheiding geborgd. In artikel 7 van Pro het Huishoudelijk Reglement onder p) is bepaald dat het Algemeen Bestuur “aan zichzelf houdt” de benoeming, schorsing en ontslag van leden van het Algemeen Bestuur. Met een dergelijke scheiding tussen enerzijds het uitvoerend bestuur en anderzijds het toezichthoudend bestuur, is onverenigbaar dat de bestuurder-directeur deelneemt aan besluitvorming aangaande benoeming, ontslag en schorsing van leden van het Algemeen Bestuur. Het gegeven dat dit er in het onderhavige geval toe leidt dat [eiser] kon worden ontslagen door (alleen) [betrokkene 1] als voorzitter, is het gevolg van de keuze voor een constructie waarin het Algemeen Bestuur slechts uit twee leden bestaat, alhoewel de statuten ruimte bieden aan een ledental van maximaal tien leden.
algemeen(onderstreping hof) bestuur aanwezig dient te zijn om rechtsgeldig besluiten te kunnen nemen.
Concluderend is het hof voorshands van oordeel dat voor een rechtsgeldig ontslagbesluit ten aanzien van [eiser] als lid van het algemeen bestuur, op grond van artikel 12 lid 2 van Pro de statuten vereist was dat “alle overige leden” van het algemeen bestuur aanwezig of vertegenwoordigd zijn, aan welk vereiste met de aanwezigheid van [betrokkene 1] op 27 mei 2020 was voldaan. De vraag of [betrokkene 2] al dan niet terecht niet aanwezig was behoeft daarmee geen verdere bespreking. [eiser] heeft in hoger beroep ook niet langer het standpunt ingenomen dat [betrokkene 1] geen geldige besluiten kon nemen omdat hij was geschorst als voorzitter tijdens een door hem ( [eiser] ) en [betrokkene 2] uitgeschreven bestuursvergadering voor 23 mei 2020. Zo neemt [eiser] in zijn memorie van grieven (randnummer 30) het standpunt in dat [betrokkene 1] op 25 mei 2020 als bestuurder aanwezig was op de bestuursvergadering. Niet is dus langer in geschil dat [betrokkene 1] op 27 mei 2020 nog gewoon in functie was als voorzitter van het Algemeen Bestuur.
Met de
grieven 10 tot en met 12richt [eiser] zich tegen de bij het bestreden vonnis in reconventie tegen hem getroffen voorzieningen, te weten een gebiedsverbod ten aanzien van het schoolterrein en het schoolgebouw, en een verbod om contact te hebben met het personeel en de leerlingen van de school, de ouders van de leerlingen en andere bij de school betrokken personen. [eiser] heeft - samengevat - aangevoerd dat deze maatregelen een te ver gaande beperking op zijn bewegingsvrijheid en vrijheid van meningsuiting opleveren. Verder zou de in 6.6 geformuleerde dwangsom op overtreding van genoemde ge- en verboden onduidelijk zijn geformuleerd.
Ook deze grieven falen. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat als gevolg van de “kampvorming” binnen de school, waarbij [eiser] zich openlijk aan de zijde van [betrokkene 2] heeft geschaard en op diverse manieren leerlingen en ouders zijn gemobiliseerd teneinde [betrokkene 2] als directeur te behouden, er veel onrust is ontstaan. Deze bestuurscrisis vond plaats in een context waarin de school toch al onder verscherpt toezicht van de Inspectie stond, en waarin sprake was van herstelopdrachten die uitgevoerd moesten worden. Tegen deze achtergrond passen de getroffen voorzieningen bij het gegeven ontslag van [eiser] .
Uit het voorgaande volgt dat ook de
grieven 13 en 14falen.
Hetgeen overigens in het kader van de grieven is aangevoerd mist zelfstandige betekenis in het licht van hetgeen hiervoor is overwogen.”
herstelarrest) heeft het hof op verzoek van SIO het arrest (dus het arrest van 2 maart 2021) aldus verbeterd:
3.De bespreking van het cassatiemiddel
De cassatieklachten
Gemeenschappelijk Hof) [8] en zij “dus” uiterlijk op 28 februari 2021 “[zal] zijn gedefungeerd als raadsheer in het gerechtshof Amsterdam”. Het arrest en het herstelarrest vermelden slechts de data waarop zij zijn uitgesproken (2 maart 2021 en 6 april 2021), niet dat zij zijn gewezen “voordat mr. Arnold is gedefungeerd”, [9] zodat ervan uitgegaan moet worden dat deze arresten “niet voor het defungeren van mr. Arnold zijn gewezen”. Voor het arrest (dat is uitgesproken op 2 maart 2021) blijkt dit ook uit het roljournaal, want daarin is vermeld dat het arrest op 2 maart 2021 is gewezen. Uit het voorgaande volgt dat het arrest en het herstelarrest nietig zijn. [10] Dit heeft ook te gelden als alsnog zou blijken “dat de arresten voor het defungeren van mr. Arnold zijn gewezen of dat één van de arresten daarvoor is gewezen”, omdat dit dan, onder andere uit een oogpunt van controleerbaarheid, in het arrest c.q. deze arresten “zelf vermeld had moeten zijn”, aldus nog steeds het onderdeel. [11]
Vraag 2
Vraag 3
Gelet op artikel 23 van Pro de Rijkswet Gemeenschappelijk Hof van Justitie;
HEBBEN GOEDGEVONDEN EN VERSTAAN:
te benoemen tot lid van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, met standplaats Curaçao met ingang van 1 maart 2021:
mr. Albertine Sophie ARNOLD,
geboren [geboortedatum] 1961, raadsheer bij het Hof Amsterdam.
Onze Minister voor Rechtsbescherming is belast met de uitvoering van dit besluit.”
Het Gemeenschappelijk Hof, dat in het Caribische deel van het Koninkrijk der Nederlanden zowel in eerste aanleg als in hoger beroep rechtspreekt, [13] telt onder zijn leden een groot aantal rechterlijk ambtenaren met rechtspraak belast in het Europese deel van Nederland (kort gezegd: rechters in rechtbanken, raadsheren in gerechtshoven) die tijdelijk zijn uitgezonden. [14] Deze rechterlijk ambtenaren met rechtspraak belast in het Europese deel van Nederland worden op voordracht van de Rijksministerraad bij koninklijk besluit benoemd als lid van het Gemeenschappelijk Hof (art. 23 lid 1 Rijkswet Pro Gemeenschappelijk Hof van Justitie) en treden dan bij het Gemeenschappelijk Hof in dienst. Alhier, in het Europese deel van Nederland, pleegt hen voor de duur van de uitzending overzee (op eigen verzoek) buitengewoon verlof te worden verleend als rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast in het Europese deel van Nederland (dus, kort gezegd: als rechter in de rechtbank, als raadsheer in het gerechtshof), met de kennelijke bedoeling dat zij na verloop van enige tijd (normaliter enige jaren), na ommekomst van de termijn van de uitzending, terugkeren en hun werkzaamheden als rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast in het Europese deel van Nederland hervatten (dat buitengewoon verlof neemt dan normaliter dus weer een einde). Dit valt als gangbare praktijk aan te merken. [15] Het voorgaande strookt met de gang van zaken in de onderhavige zaak, zoals mede blijkt uit 3.3 hiervoor: mr. A.S. Arnold is per 1 maart 2021 bij koninklijk besluit benoemd tot lid van het Gemeenschappelijk Hof [16] en haar is per diezelfde datum op eigen verzoek buitengewoon verlof verleend als raadsheer in het hof (dus het gerechtshof Amsterdam), zonder dat zij daarbij in laatstgenoemde functie is geschorst (op non-actief is gesteld) [17] of is ontslagen. [18] Van een ‘defungeren’ als raadsheer in het hof kan hier niet worden gesproken, mr. A.S. Arnold bekleedt die functie nog steeds. Dit laat zich als volgt nader toelichten.
Naar de kern genomen veronderstelt het onderdeel (zie onder 3.2 hiervoor) dat mr. A.S. Arnold uiterlijk op 28 februari 2021 is ‘gedefungeerd’ als raadsheer in het hof, al dan niet voorafgaand aan het moment waarop zij - als onderdeel van de combinatie die in het onderhavige hoger beroep het hof vormde, dus mr. T.S. Pieters, mr. A.S. Arnold en mr. G.C. Boot - mede het arrest onderscheidenlijk het herstelarrest wees, omdat zij vanaf 1 maart 2021 lid is van (“raadsheer” is in) het Gemeenschappelijk Hof. Gezien 3.3 en dit 3.4 hiervoor is deze veronderstelling m.i. onjuist (mr. A.S. Arnold is niet (deswege) ‘gedefungeerd’ als raadsheer in het hof), waarmee reeds de bodem wegvalt onder het onderdeel, [31] dat bij deze stand van zaken geen verdere behandeling behoeft. Kort en goed: wat het onderdeel aanvoert, rechtvaardigt niet de conclusie “dat de arresten nietig zijn”.
Hierop stuit het onderdeel af.
In zijn toelichting op deze grieven betoogt [eiser] , zakelijk weergegeven, dat het op 27 mei 2020 genomen ontslagbesluit nietig is op grond van artikel 2:14 lid 1 BW Pro en/of vernietigbaar op grond van artikel 2:15 lid 1 sub a BW Pro. [eiser] voert hiertoe aan:
Aan [eiser] kan worden toegegeven dat de oproep van 12 mei 2020 in strijd met artikel 10 lid 3 van Pro de statuten niet het onderwerp van zijn ontslag behelst, zodat het besluit in beginsel op grond van artikel 2:15 lid 1 sub a BW Pro vernietigbaar is. Aan [eiser] komt evenwel een dergelijk beroep op vernietigbaarheid niet toe, nu hij geen belang hierbij heeft.
[1]Uit hetgeen hierna onder (ii) zal worden overwogen ten aanzien van uitleg van de statuten van SIO, volgt dat ten tijde van het ontslag van [eiser] de samenstelling van het bestuur zodanig was dat hij - hoe dan ook - zijn ontslag niet had kunnen voorkomen. Hiermee komt het belang te ontvallen aan zijn beroep op vernietigbaarheid wegens het feit dat de oproep van 12 mei 2020 niet het onderwerp van zijn ontslag behelsde.
[2]Daarbij komt dat de strekking van de artikelen 10 lid 3 en 12 lid 4 van de statuten is, dat de bestuurder in kwestie in de gelegenheid wordt gesteld zijn zienswijze op het voorgenomen ontslag kenbaar te maken en hieromtrent gehoord te worden. De advocaat van [eiser] heeft voorafgaand aan de vergadering van 27 mei 2020, bij e-mail van diezelfde ochtend inhoudelijk gereageerd op het voorgenomen ontslag en de zienswijze van [eiser] daarop kenbaar gemaakt, zodat ook om die reden [eiser] niet geschaad is in zijn belangen.”
[vetgedrukte cijfers tussen blokhaken toegevoegd, A-G]
De in rov. 3.6 (en 2.19) van het arrest genoemde en ook door het subonderdeel bedoelde e-mail van 27 mei 2020 is afkomstig van mr. (W.J.) Tielemans en gezonden aan [betrokkene 1] . Aan deze e-mail [34] is een ‘tot mij wendde zich-brief’ d.d. 27 mei 2020 gehecht, afkomstig van de toenmalige advocaten van [betrokkene 2] en [eiser] , en gericht tot [betrokkene 1] . Deze brief luidt, voor zover relevant, als volgt:
(…)”
Voortbouwklacht