Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
a) die feiten of omstandigheden aan te duiden, en
b) het wettige bewijsmiddel aan te geven waaraan die feiten of omstandigheden zijn ontleend. (Vgl. HR 24 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7985.)
3.Beoordeling van het derde cassatiemiddel
- € 1.991,81.
In het vorenstaande wordt gesproken over “in beginsel”, omdat niet valt uit te sluiten dat anders moet worden geoordeeld in het bijzondere geval dat het overdragen van door eigen misdrijf verkregen voorwerpen plaatsvindt onder omstandigheden die niet wezenlijk verschillen van gevallen waarin een verdachte die een bepaald misdrijf heeft begaan en die daarmee de door dat misdrijf verkregen voorwerpen verwerft of voorhanden heeft, zich automatisch ook schuldig zou maken aan het witwassen van die voorwerpen. In zo’n bijzonder geval geldt eveneens dat, wil het handelen kunnen worden aangemerkt als ‘witwassen’, sprake dient te zijn van een gedraging die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van die voorwerpen gericht karakter heeft in de onder 3.3.2 omschreven zin. (Vgl. HR 25 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:716.)
Voor zover het cassatiemiddel daarover klaagt, is het terecht voorgesteld. Tot terugwijzing hoeft dat echter niet te leiden. De Hoge Raad zal de zaak in zoverre zelf afdoen door de verdachte ter zake van het onder feit 4 bewezenverklaarde wat betreft het geldbedrag van € 471.142,46 te ontslaan van alle rechtsvervolging.
4.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
5.Beslissing
1 februari 2022.