ECLI:NL:HR:2021:716

Hoge Raad

Datum uitspraak
7 mei 2021
Publicatiedatum
7 mei 2021
Zaaknummer
21/01009
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:9 lid 2 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding in belastingzaak

Belanghebbende was in beroep gegaan tegen een uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch inzake een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen over het jaar 2015. Het hoger beroep betrof tevens een beschikking inzake belastingrente. De Hoge Raad beoordeelde het beroep in cassatie tegen deze uitspraak.

De Hoge Raad stelde vast dat het beroepschrift in cassatie niet binnen de in artikel 6:7 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gestelde termijn van zes weken was ingediend. Deze termijn liep af op 18 februari 2021, terwijl het beroepschrift pas op 10 maart 2021 bij de griffie van de Hoge Raad was ontvangen. Ook een verzoek om termijnverlenging of bewijs van tijdige verzending werd door belanghebbende niet aannemelijk gemaakt.

De Hoge Raad gaf belanghebbende nog de gelegenheid om aan te tonen dat het beroepschrift tijdig was verzonden, maar de aangevoerde redenen konden het verzuim niet rechtvaardigen. Daarom werd het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard. De Hoge Raad zag geen aanleiding om proceskosten aan belanghebbende op te leggen.

Het arrest werd gewezen door de vice-president als voorzitter en twee raadsheren, en in het openbaar uitgesproken op 7 mei 2021.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de beroepstermijn.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer21/01009
Datum7 mei 2021
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende),
vertegenwoordigd door [A],
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 31 december 2020, nr. 19/00555, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 13 augustus 2019 (nr. BRE 17/7432) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2015 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente.

1.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie

De griffier van het Hof heeft op de uitspraak aangetekend dat een afschrift van die uitspraak aangetekend aan partijen is verzonden op 7 januari 2021.
Uit een door de griffier van de Hoge Raad op het beroepschrift in cassatie gestelde aantekening blijkt dat dit beroepschrift op 10 maart 2021 bij de griffie van de Hoge Raad is ontvangen.
Het beroepschrift in cassatie is dus niet ingediend binnen de in artikel 6:7 Awb Pro gestelde termijn van zes weken, die in dit geval eindigde op 18 februari 2021. Het is evenmin tijdig ingediend in de zin van artikel 6:9, lid 2, Awb.
De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij brief van 16 maart 2021 in de gelegenheid gesteld aan te tonen dat het beroepschrift voor het einde van de beroepstermijn ter post is bezorgd, of mee te delen waarom de beroepstermijn is overschreden. Hetgeen belanghebbende in zijn op 30 maart 2021 ontvangen brief aanvoert, vormt geen grond voor het oordeel dat belanghebbende niet in verzuim is geweest.
Het beroep in cassatie moet daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.

2.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en M.T. Boerlage, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 7 mei 2021.