ECLI:NL:HR:2021:714

Hoge Raad

Datum uitspraak
7 mei 2021
Publicatiedatum
7 mei 2021
Zaaknummer
20/03636
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 1 Besluit van 6 maart 2019Artikel 8:36a, lid 5, AwbWet van 13 juli 2016 tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke RechtsvorderingAlgemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
10 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie niet-ontvankelijk wegens niet digitaal indienen

Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 22 oktober 2020. Het beroepschrift werd namens belanghebbende door een beroepsmatig optredende rechtsbijstandverlener per aangetekende brief ingediend. Volgens het Besluit van 6 maart 2019 is digitale indiening verplicht bij cassatieberoepen tegen uitspraken bekendgemaakt op of na 15 april 2020.

De griffier van de Hoge Raad verzocht de indiener bij brief om het beroepschrift alsnog digitaal via het webportaal in te dienen binnen zes weken. Deze brief werd aangetekend verzonden en afgehaald, maar er werd geen gehoor aan gegeven. Hierdoor kon de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaren op grond van artikel 8:36a, lid 5, Awb.

De Hoge Raad zag geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen en sprak het arrest uit in aanwezigheid van de genoemde raadsheren en de waarnemend griffier. De uitspraak benadrukt het belang van digitale indiening in bestuursrechtelijke cassatieprocedures sinds de invoering van het Besluit digitalisering burgerlijk procesrecht en bestuursprocesrecht.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-digitale indiening.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer20/03636
Datum7 mei 2021
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende), vertegenwoordigd door A.M.H. Hogervorst,
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 22 oktober 2020, nr. BK-20/00351, op het hoger beroep van belanghebbende tegen eenuitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 19/1995).

1.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie

1.1
In deze zaak is bij aangetekende brief beroep in cassatie ingesteld. Het cassatieberoep is gericht tegen een uitspraak van het Hof van 22 oktober 2020. Uit het beroepschrift in cassatie blijkt dat het cassatieberoep namens belanghebbende is ingesteld door een beroepsmatig optredende rechtsbijstandverlener. De Hoge Raad heeft dat beroepschrift op 10 november 2020 ontvangen.
1.2
Artikel 1 van Pro het Besluit van 6 maart 2019, Staatsblad 2020, 99 [1] , brengt mee dat een beroepsmatig optredende rechtsbijstandverlener verplicht is digitaal te procederen in die gevallen waarin het beroep in cassatie is gericht tegen een uitspraak die op of na 15 april 2020 is bekendgemaakt. Dat is in deze zaak het geval zodat het beroepschrift in cassatie digitaal, via het webportaal van de Hoge Raad, had moeten worden ingediend.
De griffier van de Hoge Raad heeft de indiener van het beroepschrift daarom bij brief van 16 november 2020 verzocht het beroepschrift in cassatie binnen zes weken via het webportaal van de Hoge Raad in te dienen. Deze brief is aangetekend verzonden en is volgens de gegevens van Track&Trace van PostNL afgehaald op de afhaallocatie. De indiener van het beroepschrift heeft geen gevolg gegeven aan dat verzoek.
Daarom zal de Hoge Raad met toepassing van artikel 8:36a, lid 5, Awb het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaren.

2.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren A.F.M.Q. Beukers-van Dooren en M.T. Boerlage, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 7 mei 2021.

Voetnoten

1.Besluit van 6 maart 2019, houdende vaststelling van het tijdstip van gedeeltelijke inwerkingtreding van de Wet van 13 juli 2016 tot wijziging van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en de Algemene wet bestuursrecht in verband met vereenvoudiging en digitalisering van het procesrecht (Stb. 2016, 288), de Invoeringswet vereenvoudiging en digitalisering procesrecht, het Besluit digitalisering burgerlijk procesrecht en bestuursprocesrecht en het Aanpassingsbesluit vereenvoudiging en digitalisering procesrecht (Inwerkingtredingsbesluit digitaal procederen in bestuursrechtelijke cassatieprocedures).