ECLI:NL:HR:2021:65

Hoge Raad

Datum uitspraak
19 januari 2021
Publicatiedatum
14 januari 2021
Zaaknummer
18/04624
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 6 lid 1 EVRM
Verwijzingen
6 uitgaand · 6 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering betalingsverplichting bij ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel wegens overschrijding redelijke termijn

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een uitspraak van het gerechtshof 's-Hertogenbosch over een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van de betrokkene.

De betrokkene stelde cassatiemiddelen in, waaronder een klacht over de overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro, omdat stukken te laat door het hof waren ingezonden. De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar alleen wat betreft de hoogte van de betalingsverplichting, met vermindering daarvan naar een gebruikelijke maatstaf.

De Hoge Raad oordeelde dat de klachten over de uitspraak van het hof niet tot vernietiging konden leiden, behalve de klacht over de redelijke termijn. Gezien de overschrijding van meer dan twee jaar na het instellen van het cassatieberoep, werd de betalingsverplichting verminderd van €391.909 naar €386.909.

De Hoge Raad vernietigde dus het hofuitspraak uitsluitend voor de hoogte van de betalingsverplichting en verwierp het beroep voor het overige. Dit arrest werd gewezen door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad op 19 januari 2021.

Uitkomst: De Hoge Raad vermindert de betalingsverplichting tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer18/04624 P
Datum19 januari 2021
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 24 oktober 2018, nummer 20/003808-14, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste
van
[betrokkene] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974,
hierna: de betrokkene.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft J.J.J. van Rijsbergen, advocaat te Breda, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat de hoogte van de betalingsverplichting ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel betreft, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beoordeling van het derde cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2
Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde betalingsverplichting van € 391.909.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde betalingsverplichting ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;
- vermindert het te betalen bedrag in die zin dat de hoogte daarvan € 386.909 bedraagt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en J.C.A.M. Claassens, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
19 januari 2021.