ECLI:NL:HR:2021:1574
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Geen toepassing uitzondering voor vruchtgebruik bij schenking onder levenden volgens Frans recht in inkomstenbelasting
Belanghebbende had de bloot eigendom van een woning in Frankrijk verkregen via een Franse schenking onder levenden ('donation entre vifs à titre de partage anticipé'), waarbij het vruchtgebruik bij de ouders bleef. De vraag was of deze bloot eigendom volgens artikel 5.4, lid 3, Wet IB 2001, niet tot de rendementsgrondslag voor het inkomen uit sparen en beleggen behoort omdat het vruchtgebruik rust op een uiterste wilsbeschikking of buitenlands wettelijk erfrecht.
Het Hof Den Haag oordeelde dat de schenking onder levenden niet kwalificeert als een uiterste wilsbeschikking en dat het vruchtgebruik niet op buitenlands wettelijk erfrecht is gevestigd. Daarom is de uitzondering van artikel 5.4, lid 3, Wet IB 2001 niet van toepassing en moet de waarde van de bloot eigendom worden betrokken in de belastinggrondslag.
De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en wijst het cassatieberoep af. De uitleg van artikel 5.4, lid 3, Wet IB 2001 moet aansluiten bij het begrip uiterste wilsbeschikking in artikel 4:42 BW Pro. De Franse schenking onder levenden valt daar niet onder. Bovendien kan in cassatie de uitleg van buitenlands recht niet worden getoetst. De Hoge Raad ziet geen reden voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat de bloot eigendom volgens Frans recht niet onder de uitzondering van artikel 5.4, lid 3, Wet IB 2001 valt.