Uitspraak
gevestigd te Apeldoorn,
gevestigd te Zoetermeer,
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel in het principale beroep
4.Beoordeling van het middel in het incidentele beroep
5.Beslissing
in het incidentele beroep:
15 mei 2020.
Hoge Raad
Deze zaak betreft de vraag wanneer een regresvordering van een verzekeraar op een andere verzekeraar ontstaat en wanneer de verjaringstermijn van vijf jaar begint te lopen volgens art. 3:310 lid 1 BW Pro. Reaal had aan een patiënt meerdere betalingen gedaan, waaronder voorschotten en een slotuitkering, en vorderde regres op Centraal Beheer voor het bedrag dat zij meer had betaald dan haar aandeel.
De rechtbank had het beroep van Centraal Beheer op verjaring verworpen, maar het hof vernietigde dit en oordeelde dat de regresvordering pas ontstaat bij de betaling van het bedrag dat de verzekeraar meer heeft voldaan dan zijn deel, en dat de verjaringstermijn vanaf dat moment begint. Het hof wees ook wettelijke rente toe vanaf het moment dat Centraal Beheer in verzuim was.
De Hoge Raad bevestigde dat de regresvordering op grond van art. 7:961 lid 3 BW Pro ontstaat bij betaling van het excedent en dat de verjaringstermijn pas vanaf dat moment begint te lopen. Voorschotten leiden niet tot aanvang van de verjaring voor het gehele bedrag. De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof en verwees de zaak terug voor verdere behandeling, waarbij ook het moment van verzuim nader moet worden onderzocht.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak voor verdere behandeling terug, bevestigend dat de verjaringstermijn van de regresvordering pas begint bij betaling van het excedentbedrag.