ECLI:NL:HR:2020:152
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verhoogt vergoeding immateriële schade en rente bij overschrijding redelijke termijn in belastingzaak
Belanghebbende, een B.V., had bij het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland over door haar betaalde belasting op personenauto’s en motorrijwielen. Het Hof had een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn vastgesteld, maar belanghebbende stelde dat deze te laag was en dat zij ook recht had op wettelijke rente over het griffierecht dat zij had betaald.
De Hoge Raad oordeelde dat het Hof ten onrechte het verzoek om wettelijke rentevergoeding over het griffierecht had verworpen en dat de vergoeding voor immateriële schade moest worden verhoogd tot in totaal €4.000, waarvan €2.000 voor de Inspecteur en €2.000 voor de Staat. Tevens bepaalde de Hoge Raad dat de wettelijke rente over deze bedragen respectievelijk vier weken na de uitspraak van het Hof en vier weken na het arrest van de Hoge Raad gaat lopen indien niet tijdig is betaald.
Daarnaast werd de Staat veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht van €508 dat belanghebbende voor de cassatieprocedure had betaald, alsmede tot betaling van proceskosten. De Hoge Raad vernietigde het arrest van het Hof voor zover het ging om de immateriële schadevergoeding en wettelijke rente, en liet de rest van het arrest in stand.
Uitkomst: De Hoge Raad verhoogt de immateriële schadevergoeding tot €4.000 en bepaalt de wettelijke rentevergoeding over griffierecht en schadevergoeding.