ECLI:NL:HR:2020:1401

Hoge Raad

Datum uitspraak
15 september 2020
Publicatiedatum
8 september 2020
Zaaknummer
19/03359
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 32 ArbeidsomstandighedenwetArt. 1.1 WEDArt. 98 SvArt. 552a Sv
Verwijzingen
5 uitgaand · 5 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing wegens onbevoegdheid gewone raadkamer bij economische delicten

De zaak betreft een beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Oost-Brabant over een klaagschrift inzake beslag op documenten en gegevensdragers in het kader van een verdenking van overtreding van artikel 32 van Pro de Arbeidsomstandighedenwet, naar aanleiding van een arbeidsongeval met dodelijke afloop.

De klagers, bestaande uit twee rechtspersonen en een natuurlijke persoon, voerden onder meer een beroep op het verschoningsrecht en stelden dat de gewone raadkamer niet bevoegd was omdat het om een economisch delict ging. Volgens artikel 1.1 van de Wet Economische Delicten (WED) vallen overtredingen van voorschriften gesteld bij of krachtens artikel 32 Arbeidsomstandighedenwet onder economische delicten.

De Hoge Raad oordeelt dat de economische raadkamer bevoegd had moeten zijn om kennis te nemen van het klaagschrift. De rechtbank Oost-Brabant heeft dit niet gedaan, wat een onbevoegdheid inhoudt. Daarom vernietigt de Hoge Raad de bestreden beschikking voor zover het oordeel van de Hoge Raad betreft en wijst de zaak terug naar de rechtbank voor hernieuwde behandeling door de economische raadkamer.

De advocaat-generaal had eveneens geconcludeerd tot vernietiging en terugwijzing. Het beroep was niet gericht tegen de gegrondverklaring van het klaagschrift, waardoor die beslissing ongewijzigd blijft.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking wegens onbevoegdheid van de gewone raadkamer en wijst de zaak terug naar de economische raadkamer.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer19/03359 Bv
Datum15 september 2020
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 2 juli 2019, nummer RK 17/2412, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend
door
[klager 3],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980,
[klager 1],
gevestigd te [vestigingsplaats],
[klager 2],
gevestigd te [vestigingsplaats],
hierna: de klagers.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de klagers.
Volgens de daarvan opgemaakte akte is het beroep niet gericht tegen de beschikking voor zover het klaagschrift daarin gegrond is verklaard.
Namens de klagers heeft Th.J. Kelder, advocaat te ’s‑Gravenhage, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van de Hoge Raad onderworpen, en tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Oost-Brabant teneinde op het bestaande klaagschrift opnieuw te worden behandeld en afgedaan.

2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat het klaagschrift ten onrechte niet is behandeld door de economische raadkamer van de rechtbank en dat de beschikking ten onrechte niet is gewezen door de economische raadkamer van de rechtbank.
2.2
Het cassatiemiddel slaagt. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal.

3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het cassatiemiddel niet nodig.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de beschikking van de rechtbank, voor zover aan het oordeel van de Hoge Raad onderworpen zoals hiervoor onder 1 is weergegeven;
- wijst de zaak terug naar de rechtbank Oost-Brabant, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt behandeld en afgedaan.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en M.T. Boerlage, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
15 september 2020.