ECLI:NL:PHR:2022:1219

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
20 december 2022
Publicatiedatum
19 december 2022
Zaaknummer
21/02326
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 552a SvArt. 1 lid 1 WokArt. 38 Wet op de economische delictenArt. 21 SvArt. 52 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing wegens onjuiste behandeling klaagschrift economische delicten

De zaak betreft een klaagschrift van een klager tegen de inbeslagneming van een geldbedrag van €28.050,- in verband met een verdenking van overtreding van de Wet op de kansspelen (Wok). De rechtbank Den Haag verklaarde het klaagschrift ongegrond en behandelde het door de enkelvoudige raadkamer in strafzaken, terwijl het volgens de Hoge Raad door de economische raadkamer had moeten worden behandeld.

De Hoge Raad verwijst naar eerdere jurisprudentie en wettelijke bepalingen, waaronder art. 38 Wet Pro op de economische delicten (WED) en art. 52 RO Pro, die bepalen dat economische delicten exclusief door economische kamers van de rechtbank behandeld moeten worden. Dit geldt zowel voor misdrijven als overtredingen die onder de WED vallen.

De Hoge Raad constateert dat de enkelvoudige strafkamer ten onrechte het klaagschrift heeft behandeld en dat de economische raadkamer als raadkamer had moeten optreden. Hoewel niet relevant voor de cassatie wordt opgemerkt dat onduidelijk is of het feit opzettelijk is begaan en welke sancties van toepassing zijn.

De conclusie van de procureur-generaal is dat het middel slaagt, de bestreden beschikking wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen naar de rechtbank Den Haag voor een correcte behandeling door de economische raadkamer.

Uitkomst: De beschikking wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen naar de rechtbank voor behandeling door de economische raadkamer.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer21/02326 B
Zitting20 december 2022
CONCLUSIE
P.M. Frielink
In de zaak
[klager] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,
hierna: de klager.

1.Het cassatieberoep

1.1.
De rechtbank Den Haag heeft bij beschikking van 18 mei 2021 het op grond van art. 552a Sv ingediende klaagschrift van de klager, strekkende tot opheffing van het beslag gelegd op een geldbedrag van € 28.050,- onder een derde en tot teruggave van het geldbedrag aan de klager, ongegrond verklaard.
1.2.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de klager. R.I. Takens en T.P.A.M. Wouters, beiden advocaat te Amsterdam, hebben één middel van cassatie voorgesteld.

2.Het middel

2.1.
In het middel wordt geklaagd dat het klaagschrift ten onrechte niet is behandeld en de bestreden beschikking ten onrechte niet is gewezen door de economische raadkamer van de rechtbank.
2.2.
Uit de stukken van het geding blijkt het volgende. [betrokkene 1] , degene in wiens woning een geldbedrag van € 28.050,- in beslag is genomen, wordt verdacht van overtreding van art. 1 lid Pro 1, aanhef onder a, Wet op de kansspelen (Wok). Het klaagschrift is op 4 mei 2021 behandeld in openbare raadkamer door de enkelvoudige raadkamer in strafzaken. De enkelvoudige raadkamer in strafzaken van de rechtbank heeft op het klaagschrift beslist en de beschikking gewezen.
2.3.
Aan het middel is ten grondslag gelegd dat het klaagschrift op grond van art. 38 Wet Pro op de economische delicten (WED) in verbinding met art. 21 Sv Pro door de economische raadkamer had moeten worden behandeld, aangezien de zaak betrekking heeft op een verdenking ter zake van art. 1 lid 1 aanhef Pro onder a Wok en een overtreding van deze bepaling op grond van art. 1, aanhef en onder 3, WED in verbinding met art. 2 lid 3 WED Pro en art. 36 lid 1 Wok Pro een economisch misdrijf oplevert (indien het feit opzettelijk is begaan).
2.4.
In de toelichting op het middel wordt verwezen naar HR 27 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB8752,
NJ2007/649. In die beschikking overwoog de Hoge Raad het volgende:
“4.1. Het middel behelst de klacht dat de zaak in strijd met onder meer art. 38 Wet Pro op de economische delicten (WED) niet door de economische kamer van de Rechtbank is behandeld die bevoegd is vanwege de pretense overtreding van een economisch delict.
4.2. Voor de beoordeling van het middel zijn de volgende bepalingen van belang:
Art. 52 RO Pro:
"1. Het bestuur vormt voor het behandelen en beslissen van zaken betreffende economische delicten enkelvoudige en meervoudige kamers onder de benaming van economische kamers. Het bestuur bepaalt de bezetting van deze kamers.
2. Degene die zitting heeft in een enkelvoudige economische kamer draagt de titel van economische politierechter."
Art. 38 WED Pro:
"De kennisneming van economische delicten in eerste aanleg is bij uitsluiting opgedragen aan de rechtbank. Economische delicten worden behandeld en beslist door de economische kamers van de rechtbank, bedoeld in artikel 52 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie."
Art. 46 WED Pro, welke bepaling tot de inwerkingtreding op 1 januari 1994 van de wet van 8 november 1993 (Stb. 591), luidde:
"In zaken betreffende economische delicten treedt, behoudens het bepaalde in de artikelen 371 en 488 van het Wetboek van Strafvordering, als raadkamer een meervoudige economische kamer op."
Art. 64 RO Pro, dat op de gerechtshoven betrekking heeft:
"Het bestuur vormt voor het behandelen en beslissen van zaken waarin door de economische kamers van de rechtbanken vonnis is gewezen dan wel een bevel of een beschikking is gegeven, enkelvoudige en meervoudige kamers onder de benaming van economische kamers. Het bestuur bepaalt de bezetting van deze kamers."
Art. 53 WED Pro, dat op de gerechtshoven betrekking heeft:
"1. In zaken betreffende economische delicten treedt als raadkamer een economische kamer op.
2. De behandeling door de raadkamer vindt plaats in het openbaar."
4.3. Met de inwerkingtreding van de onder 4.2 genoemde wet is art. 46 WED Pro, zoals hiervoor weergegeven, komen te vervallen. De totstandkomingsgeschiedenis van die wet bevat geen aanwijzing dat de wetgever heeft beoogd op rechtbankniveau de economische kamers niet langer als raadkamers te laten functioneren. De omstandigheid dat art. 53 WED Pro bepaalt dat op hofniveau de economische kamers als raadkamers optreden, wijst op het tegendeel. Dit zou anders zijn indien de wetgever zou hebben uiteengezet dat en waarom op rechtbankniveau de economische kamers niet meer als raadkamers zouden moeten optreden.
4.4. In art. 38 WED Pro wordt de kennisneming van economische delicten bij uitsluiting opgedragen aan de rechtbank en wordt de behandeling en beslissing van economische delicten voorbehouden aan economische kamers. Onder economische kamers worden gelet op de desbetreffende verwijzing in art. 38 WED Pro (na de inwerkingtreding van de wet van 21 december 2001, Stb. 2002, 1) de krachtens art. 52 RO Pro onder deze benaming gevormde enkelvoudige en meervoudige kamers verstaan. In aanmerking genomen dat in zaken betreffende economische delicten uitsluitend economische kamers als bedoeld in art. 38 WED Pro en art. 52 RO Pro optreden en ook in die zaken art. 21 Sv Pro bepaalt dat de behandeling door de raadkamer geschiedt in alle gevallen waarin niet de beslissing door het rechterlijk college op de terechtzitting is voorgeschreven of aldaar ambtshalve wordt genomen, treedt in zulke gevallen als raadkamer een economische kamer op. Het voormalige art. 46 WED Pro liet uitsluitend de meervoudige economische kamer als raadkamer toe. Het vervallen van die bepaling ging gepaard met de invoering van enkelvoudige raadkamers.
4.5. De bestreden beschikking houdt niet in dat zij is gegeven door een economische raadkamer. Ook het proces-verbaal van de daaraan voorafgegane behandeling in raadkamer bevat geen aanwijzing dat de zaak is behandeld door een economische raadkamer. Het moet er dus voor worden gehouden dat de zaak niet is behandeld door een economische raadkamer.
4.6. Het middel slaagt.”
2.5.
De onderhavige zaak heeft, zoals de rechtbank heeft overwogen in haar beschikking, betrekking op een verdenking van een overtreding van art. 1 lid Pro 1, aanhef onder a Wok. Art. 1, aanhef en onder 3°, WED bepaalt dat overtreding van het voorschrift gesteld bij of krachtens art. 1 lid 1 onder Pro a Wok een economisch delict is.
2.6.
Art. 2 lid 3 WED Pro bepaalt dat de economische delicten bedoeld in art. 1 onder Pro 3° WED, misdrijven of overtredingen zijn, al naar gelang zij in de desbetreffende voorschriften als misdrijf dan wel als overtreding zijn gekenmerkt. Daaruit blijkt dat – anders dan de steller van het middel kennelijk meent – “economische delicten” in de zin van de WED zowel zien op misdrijven als op overtredingen [1] en dat derhalve op grond van art. 38 WED Pro de behandeling en beslissing van zowel misdrijven als overtredingen aan de economische kamer van de rechtbank is voorgehouden.
2.7.
Gelet op het voorgaande – in het bijzonder de aangehaalde beschikking van de Hoge Raad van 27 november 2007, later onder meer bevestigd in een beschikking van 15 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1373 [2] – diende in deze zaak een economische kamer als raadkamer op te treden. Uit zowel de bestreden beschikking als het proces-verbaal van de behandeling van het klaagschrift in raadkamer blijkt dat het klaagschrift is behandeld en beslist door de enkelvoudige raadkamer in strafzaken en derhalve – ten onrechte – niet door een economische raadkamer.
2.8.
Dat uit de bestreden beschikking niet blijkt of het Wok-feit waarvan de beslagene wordt verdacht al dan niet opzettelijk is begaan en dat uit de bestreden beschikking evenmin blijkt of bij opzettelijke overtreding van art. 1 lid Pro 1, aanhef onder a Wok in het onderhavige geval een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, is voor de beoordeling van het cassatiemiddel niet relevant. [3]
2.9.
Het middel is terecht voorgesteld.

3.Slotsom

3.1.
Het middel slaagt.
3.2.
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.
3.3.
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Den Haag teneinde op het bestaande klaagschrift opnieuw te worden behandeld en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Art. 36 lid 3 Wok Pro laat daar ook geen misverstand over bestaan.
2.Zie ook HR 15 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1374 en HR 15 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1401.
3.Vgl. in dit verband HR 11 mei 2021, ECLI:NL:HR:2021:723.