Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beoordeling van het derde cassatiemiddel
5.Beslissing
25 maart 2025.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep tegen het arrest van het gerechtshof Amsterdam waarin de verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van opzettelijk doen van onjuiste aangiften omzetbelasting en als bestuurder van vennootschappen het openbaar maken van onjuiste stukken. Het hof legde een bijkomende straf op van ontzetting uit het recht het beroep van ondernemer, in of buiten rechtspersoonlijkheid, uit te oefenen, naast ontzetting als bestuurder.
De Hoge Raad oordeelde dat ontzetting uit het recht het beroep van ondernemer zonder nadere specificatie niet voldoet aan de vereisten van artikel 28 lid 1 Sr Pro, omdat ondernemerschap geen voldoende bepaald beroep is. De bijkomende straf werd daarom vernietigd voor zover deze verder strekte dan ontzetting als bestuurder van een rechtspersoon. Tevens werd het beroep deels verworpen.
Daarnaast werd geconstateerd dat de redelijke termijn was overschreden doordat het hof de stukken te laat had ingezonden, wat leidde tot vermindering van de opgelegde taakstraf van 240 naar 228 uren, met een evenredige vermindering van de vervangende hechtenis. De Hoge Raad deed zelf de afdoening en beperkte de bijkomende straf tot ontzetting als bestuurder.
De uitspraak bevestigt het belang van een nauwkeurige omschrijving van het beroep bij ontzetting en benadrukt de bescherming van de redelijke termijn in strafzaken.
Uitkomst: Bijkomende straf ontzetting als ondernemer vernietigd, taakstraf verminderd tot 228 uren en vervangende hechtenis tot 114 dagen.