ECLI:NL:GHAMS:2018:390
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid openbaar ministerie wegens disproportionele aanhouding bij vreedzame demonstratie
Op 24 maart 2016 demonstreerden twee verdachten vreedzaam bij de Amsterdam RAI tegen een bedrijf dat voorzieningen voor uitgeprocedeerde vluchtelingen bouwde. Ondanks waarschuwingen weigerden zij de locatie te verlaten, waarna zij werden aangehouden en ruim vier uur op het politiebureau werden vastgehouden. Het hof oordeelt dat de aanhouding en langdurige vrijheidsbeneming disproportioneel waren en daarmee in strijd met de artikelen 10 EVRM en 19 IVBPR, die het recht op vrije meningsuiting en demonstratie beschermen.
De politie had de verdachten met minder ingrijpende middelen naar buiten kunnen begeleiden, zodat zij hun demonstratie vreedzaam buiten hadden kunnen voortzetten. Het hof stelt dat de maatregelen, gezien het vreedzame karakter van de demonstratie, niet noodzakelijk waren in een democratische samenleving. Bovendien was de beslissing van het openbaar ministerie om een strafbeschikking uit te vaardigen onevenredig en schond het de beginselen van een goede procesorde.
Daarom vernietigt het hof het vonnis van de rechtbank en verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van de verdachte. Hiermee wordt de schending van het demonstratierecht erkend en wordt het belang van proportionele handhaving van openbare orde benadrukt.
Uitkomst: Het openbaar ministerie wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens disproportionele aanhouding en detentie van vreedzame demonstranten.