Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
9 juli 2019.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin de verdachte werd veroordeeld voor het voorhanden hebben van vuurwapens en munitie. Het bewijs berustte onder meer op foto’s van wapens die op de smartphone van de verdachte waren aangetroffen. De verdachte voerde verweer tegen de rechtmatigheid van het onderzoek aan zijn telefoon en stelde bewijsuitsluiting voor.
Het hof had vastgesteld dat de gehele inhoud van de telefoon en de SD-kaart was gekopieerd en dat op verschillende momenten onderzoek was gedaan, waarbij alle foto’s en video’s waren bekeken. Het hof oordeelde dat art. 94 Sv Pro een toereikende wettelijke grondslag bood voor dit onderzoek en dat er slechts een beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer was gemaakt. Wel merkte het hof op dat de politie selectief was geweest, maar motiveerde onvoldoende hoe die selectie tot stand kwam.
De Hoge Raad herhaalde de criteria uit eerdere jurisprudentie over het onderzoek aan elektronische gegevensdragers en bevestigde dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom het onderzoek niet onrechtmatig was. Desondanks wees de Hoge Raad het beroep af omdat het verweer tot bewijsuitsluiting onvoldoende was onderbouwd en er geen noodzaak was om rechtsgevolgen te verbinden aan de niet-gerechtvaardigde inbreuk op het privacyrecht van de verdachte. De zaak wordt daarmee bekrachtigd.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; het onderzoek aan de smartphone was rechtmatig en bewijsuitsluiting is niet noodzakelijk.