ECLI:NL:PHR:2020:494
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt arrest wegens onjuiste rechtsopvatting over bevoegdheid politie bij staandehouding en bewijsuitsluiting
De zaak betreft de vraag of opsporingsambtenaren bevoegd waren om een auto stil te houden en te controleren op grond van artikel 5:19 Algemene Pro wet bestuursrecht (Awb) in verband met verdenking van inbraken in Soest. De verdachte was op 20 februari 2015 staande gehouden en aangehouden wegens overtreding van de APV Soest, nadat inbrekerswerktuigen in zijn auto waren waargenomen.
Het hof Arnhem-Leeuwarden oordeelde dat de verbalisanten bevoegd waren op grond van art. 5:19 Awb Pro en art. 158, 159 en 160 Wegenverkeerswet 1994 (WVW), en verwierp het niet-ontvankelijkheids- en bewijsuitsluitingsverweer. De verdediging stelde dat de controlebevoegdheid onrechtmatig was gebruikt voor opsporingsdoeleinden, wat een détournement de pouvoir oplevert.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof onjuiste rechtsopvattingen heeft gehanteerd omdat art. 5:19 Awb Pro niet van toepassing is op opsporing en vervolging van strafbare feiten (art. 1:6 Awb Pro). De bevoegdheid om een voertuig stil te houden en te controleren op grond van art. 5:19 Awb Pro geldt niet voor opsporingsonderzoeken zoals in deze zaak. Ook de stelling dat de WVW 1994 bevoegdheden van toepassing waren, wordt verworpen omdat geen feiten zijn vastgesteld die dit ondersteunen.
De Hoge Raad concludeert dat het middel gegrond is en dat cassatie moet leiden tot vernietiging van het arrest en terugwijzing naar het hof voor een nieuwe beoordeling. Tevens wordt het oordeel van het hof over de afwijzing van getuigenverzoeken bevestigd, maar deze wordt niet inhoudelijk behandeld vanwege de vernietiging.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde behandeling wegens onjuiste rechtsopvatting over bevoegdheid politie.