ECLI:NL:PHR:2023:1107

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
5 december 2023
Publicatiedatum
4 december 2023
Zaaknummer
22/02856
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 328 SvArt. 331 lid 1 SvArt. 415 lid 1 SvArt. 281 lid 1 SvArt. 420quater Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt arrest medeplegen schuldwitwassen en wijst zaak terug

De verdachte is door het hof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld voor medeplegen van schuldwitwassen tot een voorwaardelijke gevangenisstraf en geldboete. De verdediging stelde cassatiemiddelen in tegen het oordeel van het hof dat het horen van bepaalde getuigen niet binnen een aanvaardbare termijn kon plaatsvinden, waardoor een aanhoudingsverzoek werd afgewezen.

De Hoge Raad onderzoekt of het hof dit oordeel voldoende heeft gemotiveerd. Uit het dossier blijkt dat het verhoor van een getuige op 21 maart 2022 niet kon plaatsvinden vanwege een communicatiefout gerelateerd aan het tijdsverschil tussen Nederland en Turkije, maar de Turkse autoriteiten waren bereid tot medewerking. Het hof oordeelde desalniettemin dat het belang van het onderzoek geen schorsing vordert omdat het verhoor niet binnen aanvaardbare termijn kan plaatsvinden.

De Hoge Raad vindt deze motivering niet zonder meer begrijpelijk omdat niet is uitgesloten dat het verhoor op korte termijn alsnog mogelijk is, en dat het uitstel van de zaak daardoor niet noodzakelijk is. Daarom vernietigt de Hoge Raad het arrest en wijst de zaak terug naar het hof Arnhem-Leeuwarden voor hernieuwde beoordeling en afdoening.

Het tweede cassatiemiddel behoeft geen bespreking omdat het eerste middel slaagt. De conclusie van de procureur-generaal strekt eveneens tot vernietiging en terugwijzing. De zaak maakt deel uit van een samenhangend dossier met meerdere medeverdachten.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en wijst de zaak terug naar het hof voor hernieuwde behandeling.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer22/02856

Zitting5 december 2023
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] in 1938,
hierna: de verdachte.

Inleiding

De verdachte is bij arrest van 22 juli 2022 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens “medeplegen van schuldwitwassen” veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand met een proeftijd van één jaar en tot een geldboete van € 2.500,-, subsidiair 35 dagen hechtenis.
Er bestaat samenhang met de zaken tegen [medeverdachte 1] (22/02949), [medeverdachte 2] (22/02855), [medeverdachte 3] (22/02962), [medeverdachte 4] (22/02950) en [medeverdachte 5] (22/02835). In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen. In de overige drie samenhangende zaken zijn namens de verdachten geen middelen ingediend en heeft de Hoge Raad reeds uitspraak gedaan. [1]
3. Namens de verdachte heeft R. Zilver, advocaat te Utrecht, twee middelen van cassatie voorgesteld.

Het eerste middel

4. Het middel houdt in dat het hof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd, heeft geoordeeld dat het horen van de getuigen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] niet binnen een aanvaardbare termijn kan plaatsvinden en dat het daarmee samenhangende aanhoudingsverzoek moet worden afgewezen.
5. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 21 april 2022 houdt onder meer het volgende in: [2]

“De raadsman deelt mee:

[…]
U kunt worden geacht het dossier te hebben voorgehouden inclusief de stukken die na het tussenarrest aan het dossier zijn toegevoegd. Daaronder bevindt zich ook een proces-verbaal van het kabinet RHC van 21 maart 2022. Daarin heeft de raadsheer-commissaris gerelateerd dat is getracht de getuigen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] te horen, hetgeen niet is gelukt vanwege een probleem met het tijdsverschil tussen Nederland en Turkije. Ik breng dat onder de aandacht omdat in de zaak van verdachte het verzoek is gedaan om [betrokkene 2] als getuige te horen, welk verzoek bij tussenarrest van het hof van 21 januari 2021 is toegewezen. Het viel mij op dat voornoemd proces-verbaal afsluit met de tekst dat voor een nieuw af te spreken datum en tijdstip overleg zal plaatsvinden met het AIRS en de raadslieden. Nu deze getuige nog niet is gehoord wil ik graag van het hof vernemen of de zaak vandaag kan worden afgedaan. Verdachte heeft geen afstand gedaan van de getuige. Mijn standpunt is dan ook dat de getuige nog gehoord zal moeten worden.
[…]
U, voorzitter, deelt mee dat het hof in het tussenarrest van 21 januari 2021 heeft bepaald dat de toegewezen getuigen alleen gehoord zullen worden als dat binnen afzienbare tijd lukt: als er op 31 mei 2021 geen zicht is op een concrete datum gelegen vóór 1 oktober 2021 waarop de getuigenverhoren zullen plaatsvinden, zal de raadsheer-commissaris afzien van het horen van deze getuigen. U, voorzitter, vraagt opnieuw naar het standpunt van de verdediging.
Ik denk dat de oorzaak van het niet eerder kunnen horen van de getuige te maken had met het Corona-virus en het herstel van de samenwerking met de Turkse autoriteiten. Er zijn nog meer getuigen in een laat stadium gehoord. De heer Bodur is in een andere zaak recentelijk nog gehoord. Ik meen daarom dat er sprake is van bijzondere en onvoorzienbare omstandigheden als gevolg waarvan de termijn zoals bepaald in het tussenarrest niet kon worden gehaald. Ik begrijp dat u voorbereid was op een inhoudelijke behandeling. Dat ben ik ook. Een tussenoplossing is om de zaak vandaag te behandelen en dat de zaak daarna wordt aangehouden in verband met het horen van [betrokkene 2] als getuige, zodat daarna nog een beperkte behandeling kan plaatsvinden.
U, voorzitter, vraagt of er al een datum is gecommuniceerd. Nee, ik heb nog geen informatie gekregen vanuit het kabinet RHC dat er een afspraak is gemaakt.

Na gehouden beraad deelt de voorzitter als beslissing van het hof mee:

Het hof heeft de tijd genomen om over uw verzoek na te denken en onderzocht of er nog mogelijkheden zijn, maar dat is volgens het hof niet het geval. Uw aanhoudingsverzoek wordt daarom afgewezen. Het verhoor van de eerder toegelaten getuige kan niet binnen aanvaardbare termijn plaatsvinden. Een aanvaardbare termijn is immers afgezet tegen de gewenste verdere afdoening van de zaak, te beginnen met de inhoudelijke behandeling en die is vandaag. Het hof overweegt in dit verband dat in het tussenarrest uitdrukkelijk is aangegeven binnen welke termijn het verhoor moest plaatsvinden, juist om appointeringsproblemen zo beperkt mogelijk te houden. Een en ander moet worden gezien tegen de achtergrond van de omvang van de zaak als geheel: zijnde een strafzaak met vele verdachten en dito raadslieden, en een zeer omvangrijk dossier, waarbij het de uitdrukkelijke insteek van het hof is om alle zaken op een en dezelfde dag arrest te wijzen. Aanhouding zou dan ook betekenen dat het onderzoek in de verschillende zaken 22 juli 2022 niet kan worden gesloten en dat alle samenhangende zaken eveneens aangehouden moeten worden met als gevolg dat definitieve afdoening nog zeer geruime tijd op zich zal laten wachten. Het hof heeft voorafgaand aan deze beslissing nog contact gehad met het kabinet RHC en begrepen dat er op dit moment geen enkel concreet uitzicht is op een verhoor van de betreffende getuige.”
6. Gelet op het voorgaande, kan ik over de klacht dat het hof ten onrechte, althans ontoereikend gemotiveerd heeft geoordeeld dat het horen van de getuige
[betrokkene 1]niet binnen een aanvaardbare termijn kan plaatsvinden en dat het daarmee samenhangende aanhoudingsverzoek dient te worden afgewezen, heel kort zijn. Het hof heeft zich over deze getuige immers niet uitgelaten en hoefde dit ook niet te doen, omdat de verdediging in de onderhavige zaak niet om het horen van deze getuige had verzocht. Deze klacht mist daarmee feitelijke grondslag en faalt.
7. In cassatie wordt daarnaast geklaagd dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat het horen van de getuige
[betrokkene 2]niet binnen een aanvaardbare termijn kan plaatsvinden en dat het daarmee samenhangende aanhoudingsverzoek moet worden afgewezen, althans dat het hof dit oordeel ontoereikend heeft gemotiveerd.
8. Het hof heeft het ter terechtzitting van 21 april 2022 door de verdediging gedane verzoek opgevat als een aanhoudingsverzoek ten behoeve van het horen van een reeds eerder toegewezen getuige en heeft dit verzoek vervolgens afgewezen. Een aanhoudingsverzoek betreft een verzoek als bedoeld in art. 328 Sv Pro in verbinding met art. 331 lid 1 en Pro 415 lid 1 Sv tot toepassing van art. 281 lid 1 Sv Pro. Bij de beoordeling daarvan geldt als maatstaf of het belang van het onderzoek de schorsing vordert. Daarvan kan sprake zijn indien het hof de noodzaak daarvan blijkt. [3]
9. Het hof heeft de afwijzing van het aanhoudingsverzoek gebaseerd op zijn oordeel dat het verhoor van de eerder toegewezen getuige niet binnen aanvaardbare termijn kan plaatsvinden, waardoor aanhouding zou betekenen dat het onderzoek in de verschillende zaken niet op 22 juli 2022 zou kunnen worden gesloten. In dit oordeel ligt besloten dat naar het oordeel van het hof het belang van het onderzoek geen schorsing vordert omdat de noodzaak daartoe ontbreekt nu het verhoor van de getuige [betrokkene 2] niet binnen aanvaardbare termijn kan plaatsvinden.
10. De steller van het middel klaagt over het oordeel van het hof van 21 april 2022 dat het verhoor van de eerder toegewezen getuige niet binnen aanvaardbare termijn kan plaatsvinden. Hij voert onder meer aan dat dit oordeel onbegrijpelijk is omdat i) uit een proces-verbaal van bevindingen van de raadsheer-commissaris van 21 maart 2022 blijkt dat op die datum nog is geprobeerd om de getuige te horen, maar dat dit door een communicatiefout niet is gelukt en ii) de getuige op 21 maart 2022 traceerbaar en verklaringsbereid bleek.
11. De steller van het middel veronderstelt dat het proces-verbaal van bevindingen van de raadsheer-commissaris van 21 maart 2022 onderdeel uitmaakt van het strafdossier van de verdachte. Dit proces-verbaal, waarvan de inhoud in de schriftuur wordt weergegeven, bevindt zich evenwel niet bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken in de onderhavige zaak. Ik trof het wel aan in de aan de Hoge Raad toegezonden stukken in de zaak van de medeverdachte [medeverdachte 2] . Het blijkt niet te zijn opgemaakt in de zaak van de verdachte, maar in de zaken van de medeverdachten [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] . De steller van het middel had daarover kennelijk de beschikking omdat hij destijds niet alleen de raadsman was van de verdachte, maar ook van de medeverdachte [medeverdachte 2] . Het voorgaande neemt echter niet weg dat ter terechtzitting in hoger beroep onder verwijzing naar het hiervoor bedoelde proces-verbaal van bevindingen namens de verdachte naar voren is gebracht dat het horen van de getuige op 21 maart 2022 niet is gelukt vanwege een probleem met het tijdsverschil tussen Nederland en Turkije en dat voor een nieuw af te spreken datum en tijdstip overleg zou plaatsvinden met AIRS (ik begrijp: de Afdeling Internationale aangelegenheden en Rechtshulp in Strafzaken van het Ministerie van Justitie en Veiligheid
)en de raadslieden.
12. Hetgeen door de verdediging is aangevoerd, impliceert dat de Turkse autoriteiten een maand voor de terechtzitting van 21 april 2022 bereid bleken om uitvoering te geven aan een rechtshulpverzoek tot het horen van de getuige [betrokkene 2] en dat het horen van deze getuige op die datum is mislukt omdat geen rekening was gehouden met het tijdsverschil tussen Turkije en Nederland. Kennelijk heeft het hof dit niet onaannemelijk geacht en is het ook uitgegaan van het belang van de verdachte bij het horen van deze getuige, maar heeft het geoordeeld dat het belang van het onderzoek geen schorsing van het onderzoek vordert omdat het verhoor van de getuige [betrokkene 2] niet binnen aanvaardbare termijn kan plaatsvinden. Daartoe overweegt het hof dat het voorafgaand aan deze beslissing nog contact heeft gehad met het kabinet RHC en heeft begrepen dat er op dit moment geen enkel concreet uitzicht is op een verhoor van de betreffende getuige. Dat dit uitzicht op dat moment ontbrak, is niet zo verwonderlijk. Uit het proces-verbaal van bevindingen van de raadsheer-commissaris van 8 april 2022 blijkt immers dat alle onderzoeken door de raadsheer-commissaris als afgerond werden beschouwd en dat het onderzoek is gesloten. Van enige poging om de getuige [betrokkene 2] ná 21 maart 2022 alsnog te horen, blijkt daaruit niet.
13. Nu het hof kennelijk niet onaannemelijk heeft geacht dat de getuige [betrokkene 2] een maand eerder nog kon worden getraceerd en dat de Turkse autoriteiten bereid zijn gebleken mee te werken aan het horen van deze getuige, zie ik niet zonder meer in waarom het alsnog horen van de getuige noodzakelijk zou meebrengen dat de definitieve afdoening van alle samenhangende zaken nog zeer geruime tijd op zich zou laten wachten. Daarbij neem ik verder in aanmerking dat de beslissing van het hof dateert van 21 april 2022, terwijl de door het hof gewenste verdere afdoening van de zaak inhoudt dat het onderzoek in de verschillende zaken – drie maanden later – op 22 juli 2022 zou worden gesloten en dat uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 21 april 2022 volgt dat de onderhavige zaak niet gelijktijdig met de andere zaken ter terechtzitting is behandeld. Dat er op laatstgenoemde datum nog geen concrete afspraak was voor het horen van de getuige, wil nog niet zeggen dat het niet mogelijk was om op korte termijn tot een nieuwe afspraak te komen.
14. Tegen de achtergrond van het voorgaande is de afwijzing van het aanhoudingsverzoek niet zonder meer begrijpelijk. Het hof heeft deze afwijzing immers gebaseerd op het oordeel dat het verhoor van [betrokkene 2] als getuige niet binnen een aanvaardbare termijn kan plaatsvinden waardoor aanhouding zou betekenen dat het onderzoek in de verschillende zaken niet op 22 juli 2022 zou kunnen worden gesloten, terwijl uit het voorgaande niet zonder meer volgt dat het verhoor van [betrokkene 2] als getuige niet binnen afzienbare termijn zou kunnen plaatsvinden.
15. Het middel slaagt.
16. Nu het eerste middel slaagt en de zaak daarom moet worden teruggewezen naar het hof, behoeft het tweede middel geen bespreking. Indien de Hoge Raad daarover anders oordeelt, ben ik uiteraard bereid nader te concluderen.

Slotsom

17. Het eerste middel slaagt. Het tweede middel behoeft geen bespreking.
18. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
19. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Het gaat om de zaken tegen [betrokkene 3] (22/02806), [betrokkene 4] (22/02827) en [betrokkene 5] (22/02838).
2.Vetgedrukt als in origineel.
3.HR 24 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:660, r.o. 2.4.