ECLI:NL:HR:2018:374

Hoge Raad

Datum uitspraak
20 maart 2018
Publicatiedatum
20 maart 2018
Zaaknummer
16/01483
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Artikel 80a RO-zaken
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 27 SrArt. 14a SrArt. 80a RO
Verwijzingen
8 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens ontbreken belang bij aftrek voorarrest bij geheel voorwaardelijke gevangenisstraf

De verdachte werd door het Gerechtshof Den Haag veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee weken geheel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Volgens artikel 27, eerste lid, Sr dient bij het opleggen van een gevangenisstraf de tijd die de veroordeelde in voorarrest heeft doorgebracht, in mindering te worden gebracht op de straf. Dit geldt ook voor het voorwaardelijke gedeelte van de straf.

Het Hof had nagelaten dit bevel tot aftrek van voorarrest te geven, hetgeen het middel in cassatie terecht bekritiseerde. De Hoge Raad verwijst naar eerdere jurisprudentie waarin is vastgesteld dat dit een herstelbare fout is die door de rechter die het vonnis heeft gewezen kan worden hersteld. Indien die herstelbeslissing uitblijft, moet het vonnis zodanig worden gelezen dat de aftrek is bevolen.

De Hoge Raad oordeelt dat de verdachte onvoldoende belang heeft bij vernietiging van het arrest, omdat de fout zich leent voor herstel en de aftrek in feite al is bevolen. Daarom verklaart de Hoge Raad het cassatieberoep niet-ontvankelijk met toepassing van artikel 80a RO.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat de verdachte onvoldoende belang heeft bij vernietiging van het arrest ondanks het ontbreken van een bevel tot aftrek van voorarrest.

Uitspraak

20 maart 2018
Strafkamer
nr. S 16/01483
MTI/DAZ
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 15 maart 2016, nummer 22/002684-12, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft R.J. Baumgardt, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal F.W. Bleichrodt heeft geconcludeerd dat het cassatieberoep met toepassing van art. 80a RO niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

2.1.
Het middel klaagt dat het Hof bij de oplegging van een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan art. 27, eerste lid, Sr.
2.2.
De aan de Hoge Raad gezonden stukken houden in dat de verdachte bij beschikking van de Rechtbank Rotterdam van 25 mei 2010 in bewaring is gesteld en dat de Rechtbank Rotterdam de voorlopige hechtenis bij beschikking van 28 mei 2010 heeft geschorst.
2.3.
In zijn arrest van 17 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:462, NJ 2017/407 heeft de Hoge Raad het volgende overwogen:
"De rechter kan bij veroordelingen tot gevangenisstraf als bedoeld in art. 14a lid 1 en lid 2 Sr bepalen dat de straf of een gedeelte daarvan niet zal worden tenuitvoergelegd. De toepassing van art. 14a Sr geschiedt onder voorwaarden en de rechter stelt een proeftijd vast. Ingevolge art. 27 lid 1 Sr Pro heeft de rechter bij het opleggen van tijdelijke vrijheidsstraffen de verplichting te bevelen dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van de uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de vrijheidsstraf geheel in mindering zal worden gebracht. Dit bevel tot aftrek van voorarrest ziet ook op de gevangenisstraf ten aanzien waarvan de rechter met toepassing van art. 14a Sr heeft bepaald dat die straf of een gedeelte daarvan onder voorwaarden niet zal worden tenuitvoergelegd. Dit betekent dat indien de duur van het voorarrest langer is dan de duur van het onvoorwaardelijke deel de van de gevangenisstraf en de tenuitvoerlegging wordt bevolen van het voorwaardelijke deel van de gevangenisstraf - welk bevel meebrengt dat het voorwaardelijke deel moet worden tenuitvoergelegd (vgl. HR 27 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:500, NJ 2015/232) -, bij die tenuitvoerlegging het resterende gedeelte van de duur van het voorarrest daarop in mindering moet worden gebracht."
2.4.
Het Hof heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee weken voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Het Hof had derhalve op grond van art. 27, eerste lid, Sr moeten bevelen dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van de uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de (eventuele) uitvoering van de vrijheidsstraf geheel in mindering zal worden gebracht, doch heeft verzuimd die aftrek te bevelen. Daarover klaagt het middel op zichzelf terecht.
2.5.
De verdachte heeft in cassatie evenwel niet een voldoende in rechte te respecteren belang bij de vernietiging van de bestreden uitspraak waarin verzuimd is de aftrek van art. 27 Sr Pro te bevelen op de gronden die zijn vermeld in HR 19 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ4478, NJ 2013/246. Gelet hierop zal de Hoge Raad - gezien art. 80a RO - het beroep niet ontvankelijk verklaren.

3.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers en M.T. Boerlage, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
20 maart 2018.