Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
20 maart 2018.
Hoge Raad
De verdachte werd door het Gerechtshof Den Haag veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee weken geheel voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Volgens artikel 27, eerste lid, Sr dient bij het opleggen van een gevangenisstraf de tijd die de veroordeelde in voorarrest heeft doorgebracht, in mindering te worden gebracht op de straf. Dit geldt ook voor het voorwaardelijke gedeelte van de straf.
Het Hof had nagelaten dit bevel tot aftrek van voorarrest te geven, hetgeen het middel in cassatie terecht bekritiseerde. De Hoge Raad verwijst naar eerdere jurisprudentie waarin is vastgesteld dat dit een herstelbare fout is die door de rechter die het vonnis heeft gewezen kan worden hersteld. Indien die herstelbeslissing uitblijft, moet het vonnis zodanig worden gelezen dat de aftrek is bevolen.
De Hoge Raad oordeelt dat de verdachte onvoldoende belang heeft bij vernietiging van het arrest, omdat de fout zich leent voor herstel en de aftrek in feite al is bevolen. Daarom verklaart de Hoge Raad het cassatieberoep niet-ontvankelijk met toepassing van artikel 80a RO.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat de verdachte onvoldoende belang heeft bij vernietiging van het arrest ondanks het ontbreken van een bevel tot aftrek van voorarrest.