Conclusie
middelbehelst de klacht dat het hof ten onrechte de door de verdachte in voorarrest doorgebrachte tijd niet in mindering heeft gebracht op de opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf.
Parket bij de Hoge Raad
In deze zaak staat de toepassing van art. 27 Sr Pro centraal, dat bepaalt dat de tijd die een verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, in mindering moet worden gebracht op een opgelegde tijdelijke gevangenisstraf, hechtenis of taakstraf.
De verdachte is door het hof veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken met een proeftijd van twee jaar. Het hof heeft echter nagelaten om de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, in mindering te brengen op deze straf, hetgeen door de verdediging is bekritiseerd.
De Advocaat-Generaal wijst erop dat art. 27 Sr Pro ook geldt voor geheel voorwaardelijke vrijheidsstraffen en dat het hof verplicht is deze aftrek toe te passen. Desondanks concludeert de AG dat het ontbreken van deze toepassing onvoldoende reden is om het arrest te vernietigen, omdat herstelarrest mogelijk is en bij uitvoering van de straf de aftrek alsnog wordt toegepast.
De conclusie leidt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het cassatieberoep wegens gebrek aan voldoende belang, waarbij de AG verwijst naar eerdere arresten die deze lijn bevestigen.
De zaak betreft ook een eerdere veroordeling van de verdachte voor vernieling, belediging, bedreiging en mishandeling, waarbij de voorlopige hechtenis van 21 tot 28 mei 2010 relevant is voor de aftrek van voorarrest.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard vanwege het ontbreken van voldoende belang ondanks het verzuim van het hof om voorarrest in mindering te brengen.