In deze zaak stond de ontvankelijkheid van het hoger beroep centraal nadat verdachte werd veroordeeld bij verstek op 8 december 2016. Op 27 oktober 2016 is aan verdachte in persoon een gewaarmerkte kopie van de dagvaarding uitgereikt, inclusief een vertaling in het Roemeens. Verdachte tekende de akte van uitreiking. Het hof stelde vast dat verdachte daardoor bekend was met de zittingsdatum.
Verdachte stelde dat niet kon worden vastgesteld dat de vertaling daadwerkelijk aan hem was uitgereikt, waardoor hij niet op de hoogte zou zijn geweest van de zitting en tijdig hoger beroep zou hebben ingesteld. Dit verweer werd door het hof verworpen, dat oordeelde dat de vertaling wel degelijk was uitgereikt en dat de termijn voor hoger beroep was overschreden.
De advocaat-generaal adviseerde de Hoge Raad om het cassatieberoep te verwerpen, omdat het hoger beroep te laat was ingesteld. De Hoge Raad volgde dit advies en verklaarde verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep. Er werden geen gronden gevonden om het bestreden arrest te vernietigen.
De zaak benadrukt het belang van tijdige kennisgeving van de dagvaarding, inclusief vertalingen, en bevestigt dat het niet tijdig instellen van hoger beroep leidt tot niet-ontvankelijkheid. Dit ondanks dat verdachte stelde niet op de hoogte te zijn geweest van de vertaalde dagvaarding.