Uitspraak
1.Geding in cassatie
3.Wettelijk kader
4.Beoordeling van het middel
5.Beslissing
3 juli 2018.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin hij werd veroordeeld wegens mishandeling van zijn echtgenoot. De tenlastelegging betrof mishandeling met onder meer een slipper tegen het lichaam van het slachtoffer.
De kern van het geschil betrof de vraag of het slachtoffer als 'echtgenoot' in de zin van art. 304.1 Sr kon worden aangemerkt, aangezien het huwelijk volgens de verdachte was gesloten in Irak onder islamitisch recht. De Hoge Raad stelde vast dat de wetgever bij de uitleg van 'echtgenoot' aansluiting zoekt bij het personen- en familierecht van het Burgerlijk Wetboek. Een buitenlands rechtsgeldig huwelijk kan dus worden erkend, tenzij het niet voldoet aan de criteria van art. 10:31 en Pro 10:32 BW.
De Hoge Raad verwierp het middel dat het huwelijk niet als echtgenootschap kon gelden. Wel oordeelde de Hoge Raad dat het hof onvoldoende bewijs had geleverd dat er sprake was van een huwelijk of geregistreerd partnerschap tussen verdachte en het slachtoffer, waardoor het onderdeel 'zijn echtgenoot' in de bewezenverklaring niet met redenen was omkleed.
Toch werd het beroep verworpen omdat verdachte onvoldoende belang had bij de klacht over de bewijsvoering, gelet op zijn eigen verklaringen over het huwelijk tijdens de terechtzitting. De Hoge Raad bevestigde daarmee de bewezenverklaring en handhaafde het arrest van het hof.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de veroordeling voor mishandeling van zijn echtgenoot.