In deze zaak stond de vraag centraal of het hof terecht had geoordeeld dat het verbeurd verklaarde bedrag van ruim €2,1 miljoen niet in mindering behoefde te worden gebracht op de betalingsverplichting tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Het hof had in de hoofdzaak het bedrag verbeurd verklaard en in de ontnemingszaak het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op circa €2,4 miljoen, met een betalingsverplichting van €2,4 miljoen.
De advocaat-generaal stelde dat het hof ten onrechte geen rekening had gehouden met de waarde van het verbeurd verklaarde bedrag bij de ontnemingsmaatregel. De Hoge Raad bevestigde dat bij verbeurdverklaring van voorwerpen die als opbrengst van een strafbaar feit kunnen worden aangemerkt, de waarde daarvan in mindering dient te worden gebracht op de ontnemingsverplichting vanwege het reparatoire karakter van de maatregel.
Het hof had echter geoordeeld dat het verbeurd verklaarde geldbedrag niet in mindering behoefde te worden gebracht, mede omdat het conservatoir beslag op het bedrag rustte. De Hoge Raad oordeelde dat dit onjuist was en dat het hof de betalingsverplichting had moeten verminderen met het verbeurd verklaarde bedrag. De conclusie strekte tot vernietiging van het arrest en tot een passende beslissing door de Hoge Raad.
De zaak betreft complexe financiële berekeningen van wederrechtelijk verkregen voordeel en de verhouding tussen verbeurdverklaring en ontnemingsmaatregel, waarbij het hof de schattingen baseerde op een kasopstelling en ontnemingsrapport. De Hoge Raad benadrukte het belang van een juiste verrekening om dubbele ontneming te voorkomen.
Deze uitspraak verduidelijkt de toepassing van art. 33a Sr en de verhouding tussen conservatoir beslag, verbeurdverklaring en ontnemingsmaatregel in strafzaken met betrekking tot witwassen en wederrechtelijk verkregen voordeel.