Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 9 juni 2015, waarin het hoger beroep van belanghebbende tegen een beschikking van de Rechtbank Rotterdam werd behandeld. De beschikking betrof een verzoek om toekenning van een dwangsom door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Molenwaard.
De Hoge Raad ontving het verweerschrift van het college en de conclusie van repliek van belanghebbende. Na beoordeling van de middelen oordeelde de Hoge Raad dat deze niet tot cassatie konden leiden. Gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie was geen nadere motivering vereist, omdat de middelen geen rechtsvragen opriepen die van belang zijn voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Ten aanzien van proceskosten stelde de Hoge Raad vast dat er geen gronden waren voor een veroordeling in de proceskosten. Het arrest werd gewezen door de vice-president en twee raadsheren en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2016.