Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3. Beslissing
20 december 2016.
: “De motor lag gewoon op de steiger of er net naast. Ik heb hem bekeken en ik heb de motor meegenomen.”Gelet op het gebruik van dit onderdeel van de verklaring van rekwirant heeft het Hof kennelijk aannemelijk geoordeeld dat de in de bewezenverklaring genoemde buitenboordmotor ‘voor het oprapen lag’, zoals rekwirant overigens ook steeds heeft verklaard. Het gebruik voor het bewijs van deze verklaring is echter niet te verenigen met het kennelijke oordeel van het Hof dat het rekwirant is geweest die de buitenboordmotor van de boot heeft afgehaald (door middel van braak/verbreking) en daarmee dus ook niet te verenigen met de bewezenverklaring voor zover het Hof bewezen heeft verklaard dat rekwirant de buitenboordmotor heeft weggenomen, waarbij hij de buitenboordmotor onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak (of verbreking). In zoverre is de bewijsvoering - op een punt dat gelet op de bewezenverklaring en hetgeen overigens blijkt uit de bewijsvoering niet van ondergeschikte betekenis is - niet te verenigen met de bewezenverklaring.(3) Ook daarom is de bewezenverklaring niet toereikend gemotiveerd.
2 Zie Van der Velden in Tekst en Commentaar Strafrecht, 10e druk, aan punt 9c bij art. 311.
3 Zie in dit kader bijvoorbeeld ook HR 4 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:469 en HR 19 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW8678.
4 Opmerking verdient dat de overweging van het Hof over het moment waarop [getuige 1] zijn boot met buitenboordmotor voor het laatst zag kennelijk niet in het arrest is opgenomen ter motivering van het oordeel dat de verklaring van rekwirant niet geloofwaardig is, aangezien het Hof uitdrukkelijk heeft overwogen dat het Hof de door rekwirant geschetste gang van zaken niet geloofwaardig acht gelet op de verklaringen van de getuigen [getuige 2], [getuige 3] en [getuige 4] (en dus niet: [getuige 1]).
5 Zie specifiek met betrekking tot de situatie waarin de bewezen verklaarde braak/verbreking niet uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen kon worden afgeleid: HR 1 september 2009, ECLI:NL:PHR:2009:BI5740 en HR 23 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN9187.