Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Tenlastelegging en motivering van de gegeven vrijspraak
3.Beoordeling van het middel
4.Slotsom
5.Beslissing
6 december 2016.
Hoge Raad
De zaak betreft een verdachte die werd beschuldigd van poging tot kinderdoodslag van twee pasgeboren baby's, waarbij twijfel bestond of de baby's tijdens of kort na de geboorte leefden. Het hof sprak de verdachte vrij omdat het niet met voldoende zekerheid kon vaststellen dat de baby's leefden tijdens de handelingen van de verdachte.
De advocaat-generaal stelde cassatie in tegen deze vrijspraak en voerde aan dat de gedragingen van de verdachte, gezien hun uiterlijke verschijningsvorm, gericht waren op de voltooiing van het misdrijf, ongeacht de onzekerheid over het leven van de baby's. De Hoge Raad oordeelde dat de enkele onzekerheid over het leven van de baby's niet uitsluit dat sprake kan zijn van een strafbare poging, tenzij de rechter aannemelijk acht dat de baby's dood ter wereld zijn gekomen.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof en verwees de zaak naar het gerechtshof 's-Hertogenbosch voor hernieuwde berechting. Hiermee is het oordeel van het hof dat de verdachte vrijgesproken moest worden wegens ondeugdelijke poging niet gevolgd. De zaak wordt op het bestaande hoger beroep opnieuw behandeld.
De uitspraak benadrukt het belang van de vraag of het slachtoffer leefde bij de beoordeling van poging tot levensberoving, en verduidelijkt de toepassing van art. 45 Sr Pro omtrent strafbare poging in situaties met onzekerheid over het leven van het slachtoffer.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de vrijspraak en verwijst de zaak voor hernieuwde berechting wegens onzekerheid over het leven van de baby's.