Belanghebbende is eigenaar van een gebouw gelegen tegenover een kerk, dat wordt gebruikt voor activiteiten zoals crèche tijdens erediensten, zondagsschool, jeugdclubs en Bijbelstudie, maar niet voor openbare erediensten. De Rechtbank Rotterdam oordeelde dat deze activiteiten niet kwalificeren als openbare eredienst en dat de waarderingsuitzondering voor kerken niet van toepassing is.
Belanghebbende stelde in cassatie dat deze activiteiten wel als openbare eredienst moeten worden gezien, verwijzend naar eerdere uitspraken van het Hof Arnhem. De Hoge Raad verwierp dit middel en bevestigde dat de wetgever met de kerkenvrijstelling alleen onroerende zaken bedoelde die hoofdzakelijk voor openbare bezinningssamenkomsten worden gebruikt.
Daarnaast wees de Hoge Raad het verzoek van belanghebbende af om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn, omdat de overschrijding te wijten was aan verzoeken van belanghebbende zelf om de procedure aan te houden.
De Hoge Raad verklaarde het beroep in cassatie ongegrond en bevestigde daarmee de uitspraak van de Rechtbank.