Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het tweede middel
3.Beoordeling van de overige middelen
4.Beslissing
28 juni 2016.
Hoge Raad
De verdachte werd vervolgd wegens het opzettelijk gebruik van een vals aangifteformulier inkomstenbelasting over het jaar 2002, waarbij op het formulier een te laag belastbaar bedrag was vermeld door het niet opgeven van buitenlandse inkomsten en onroerend goed.
De verdediging stelde dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moest worden verklaard op grond van artikel 69, vierde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR), omdat het feit ook onder een andere strafbepaling viel. Het hof verwierp dit verweer, stellende dat het later namens verdachte ingediende aangiftebiljet niet als een tijdige aangifte kon worden beschouwd, maar als een bezwaarschrift tegen een ambtshalve opgelegde aanslag.
De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het hof en oordeelde dat het niet binnen de wettelijke termijn ingediende aangiftebiljet niet kwalificeert als een aangifte in de zin van de AWR. Hierdoor is strafvervolging wegens het niet doen van aangifte gerechtvaardigd. Tevens werd geoordeeld dat het indienen van een bezwaarschrift met een onjuist of onvolledig aangiftebiljet niet valt onder de delictsomschrijving van artikel 69, eerste lid, AWR. Het beroep van verdachte werd verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het beroep en bevestigt de ontvankelijkheid van het OM in de vervolging wegens het gebruik van een vals aangifteformulier.