Conclusie
eerste middelkeert zich - op grond van de inkeerbepaling van art. 69, derde lid, AWR - met een rechtsklacht en een motiveringsklacht tegen ’s hofs verwerping van het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging van de verdachte met betrekking tot feit 2.
3.3 Met betrekking tot feit 2: Beroep op inkeer
tweede middelricht zich – op grond van art. 69, vierde lid, AWR - met een rechtsklacht en een motiveringsklacht tegen ’s hofs verwerping van het verweer strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging van de verdachte met betrekking tot feit 3 (valsheid in geschrift).
niet doenvan een aangifte. Voorts zij nog opgemerkt dat het hof in de aanvulling op het arrest in bewijsmiddel 3 heeft vastgesteld dat de aangifte inkomstenbelasting 2002
niet tijdigis gedaan en dat dit naar de letter genomen niet overeenstemt met de overweging van het hof dat de verdachte gezegd kan worden geen aangifte over het jaar 2002 te hebben gedaan.
derde en het vierde middelklagen over de verwerping van in hoger beroep gevoerde verweren met betrekking tot feit 1 en over de bewezenverklaring van dat feit. Het derde middel spitst de klacht toe op het bewezenverklaarde zinsdeel dat de geldbedragen afkomstig waren “uit enig misdrijf”, het vierde middel ziet op het andere bewezenverklaarde zinsdeel dat de verdachte met betrekking tot alle in de bewezenverklaring van feit 1 genoemde bedragen de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats en de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, terwijl het verwerven, voorhanden hebben en omzetten van de bedoelde geldbedragen niet zonder nadere toelichting (die ontbreekt) gekwalificeerd kunnen worden als witwassen. Deze middelen lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.
hij op tijdstippen in de periode van de maand januari 2002 tot en met de maand november 2008 in Nederland, en te Emmerich am Rhein in Duitsland, en in Luxemburg en op Ibiza in Spanje, telkens van voorwerpen, te weten:
Storting gelden
naar het hof begrijpt: langstlevende) stond.
“wij hebben het huis van jou en [betrokkene 1] te koop voor 1,6 miljoen euro.”Verdachte zegt hierop
“jaja, ik kom aan het eind van de maand”. Dit tapgesprek duidt er op dat verdachte wist dat zijn onroerend goed te koop stond.
onder a, Sr en dat wat wel de recente rechtspraak van de Hoge Raad over witwassen wordt genoemd, betrekking heeft op (bepaalde onderdelen van) art. 420bis, eerste lid
onder bSr. Voor zover in de toelichting op het derde middel respectievelijk die op het vierde middel deze recente rechtspraak wordt aangehaald ten behoeve van het betoog over het “voorhanden hebben”, het “verwerven” , het “omzetten” en “uit eigen misdrijf verkregen”, stuiten de desbetreffende klachten reeds daarop af. [3]
vijfde middelkomt op tegen de bewezenverklaring van feit 3. Uit de gebezigde bewijsmiddelen zou zonder nadere toelichting niet kunnen worden afgeleid dat de verdachte in de maand juli 2005 opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vals aangifteformulier inkomstenbelasting 2002, althans dat de verdachte pleger is van dit misdrijf nu Flex Account niet zonder meer gelijk is te stellen met de verdachte.
zesde middelkeert zich met een motiveringsklacht klaagt tegen de strafoplegging.
of hogerbij een fraudebedrag van € 1.000.000,-. Voorts heeft het hof naast het bedrag van € 800.000,- waarvoor de verdachte naar het oordeel van het hof de fiscus heeft benadeeld, in aanmerking genomen dat de verdachte ook
andereuit misdrijf afkomstige gelden door middel van witwassen heeft verhuld. In de tweede plaats heeft het hof bij de strafoplegging tevens het bewezenverklaarde witwassen en de bewezenverklaarde valsheid in geschrift betrokken. [7] De steller van het middel heeft wel een klein punt wat betreft de opmerking van het hof over het genoten voordeel; het bedrag van 1.6 miljoen euro voordeel dat de verdachte blijkens het samenhangende ontnemingsarrest van het hof uit zijn handelen zou hebben genoten, is nog niet onherroepelijk vastgesteld. [8] Tot cassatie hoeft dit evenwel niet te leiden, wegens het ontbreken van voldoende belang, nu de precieze hoogte van het door de verdachte genoten voordeel van ondergeschikt belang is in het geheel van de strafmotivering.
zevende middelklaagt over het oordeel van het hof dat in de onderhavige zaak geen sprake is van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM Pro.