Uitspraak
21 januari 2013, nummer 21/003690-12, in de strafzaak tegen:
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Slotsom
4.Beslissing
1 april 2014.
Hoge Raad
De verdachte werd door het hof veroordeeld voor bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht op grond van bedreigende uitlatingen richting het slachtoffer op 7 augustus 2012 in Veenendaal. Het hof baseerde zijn bewezenverklaring op verklaringen van het slachtoffer en een getuige die de bedreigende woorden bevestigden.
De Hoge Raad oordeelt dat voor een veroordeling wegens bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht vereist is dat de bedreiging van dien aard is dat bij het slachtoffer in redelijkheid de vrees kan ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen. Uit de bewijsmiddelen kon echter niet zonder meer worden afgeleid dat de bedreiging aan deze eis voldeed.
Daarom is de bewezenverklaring ontoereikend gemotiveerd en vernietigt de Hoge Raad het arrest van het hof voor zover het de bewezenverklaring en strafoplegging betreft. De zaak wordt terugverwezen naar het hof Arnhem-Leeuwarden voor hernieuwde behandeling. Het overige beroep wordt verworpen.
Uitkomst: De bewezenverklaring van bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht is onvoldoende gemotiveerd; het arrest wordt vernietigd en de zaak terugverwezen.