Conclusie
middelbehelst de klacht dat het hof de bewezen verklaarde bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht niet naar de eis der wet voldoende met redenen heeft omkleed.
als de op voornoemde datum afgelegde verklaring van [betrokkene 1] :
als de op voornoemde datum afgelegde verklaring van [betrokkene 2] :
10-094567-16 ten laste gelegde. Hiertoe heeft hij aangevoerd dat de door de verdachte geuite bewoording geen bedreiging in de zin van de wet is.
De bedreiging van de verdachte was persoonlijk gericht tegen de aangeefster, baliemedewerkers van gemeenten krijgen vaker te maken met bedreigingen als deze en het is een feit van algemene bekendheid dat deze bedreigingen ook regelmatig verder vorm krijgen als fysiek geweld jegens bedreigden. In dat licht bezien kon bij aangeefster de redelijke vrees ontstaan dat zij daadwerkelijk slachtoffer van een misdrijf zouden kunnen worden. Het hof verwerpt derhalve het verweer.”
Daarmee is het oordeel van het hof dat de door hem als bedreigend aangemerkte uitlating van de verdachte (persoonlijk) was gericht tegen de aangeefster niet onbegrijpelijk.