Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH
1.Nieuwe Borg Projectontwikkeling B.V.,
1. Het geding in eerste aanleg (zaaknummer C/04/108326 / HA ZA 11-291)
2.Het verloop van de procedure
- de memorie van grieven (tevens houdende eiswijziging ivm schrijffout in petitum hoger beroep dagvaardingen), waarbij twee producties zijn overgelegd;
- de memorie van antwoord van Nieuwe Borg, waarbij vier producties zijn overgelegd;
- de memorie van antwoord van [aannemingsbedrijf].
3.De gronden van het hoger beroep
4.De beoordeling
- Bij kleine onderbrekingen worden geen faseringskosten in rekening gebracht.
- U verzocht(noot hof: verzorgt?)
het sloopplan. - Alle uitkomende materialen worden uw eigendom
- (…)
- Voor zover er zich nieuwe zaken voordoen, o.a. kappen laanbomen, ged. slopen spoorlaan, zullen wij in overleg nadere prijsafspraken maken op basis van de dan geldende marktprijzen.
Door werkzaamheden bij u in opdracht te geven en door u te laten uitvoeren die in het verleden aan ons zijn gegund schiet Nieuwe Borg Projectontwikkeling BV jegens HAMANZ BV toerekenbaar tekort in de nakoming van de overeenkomst die zij met HAMANZ BV op
Los van het feit dat wij als Stationspark [vestigingsnaam] B.V. blijven betwisten dat er op enig moment sprake zou zijn van een overeenkomst tussen Nieuwe Borg Projectontwikkeling B.V. en Hamanz B.V. voor het ontgraven en afvoeren van de totale bouwput, kunnen wij uw reactie ook anderszins niet plaatsen. De opdracht is immers gegund aan [combinatie]. (…)”.
“In aansluiting op eerder gevoerde correspondentie en overleg bevestigen wij (…) de aan u verstrekte opdracht (…). Overigens blijkt ook uit geen enkele door Nieuwe Borg zelf geschreven reactie dat het haar niet voldoende duidelijk was welke overeenkomst Hamanz in haar correspondentie bedoelde.
Hierbij bevestigen wij de prijsafspraken inzake bovenvermeld werk” niet zonder meer dat er een overeenkomst is gesloten, maar wel dat partijen afspraken hebben gemaakt over de prijs of over prijzen. De brief van 4 april 2001 betreft enkel “sloop en asbestsanering 72 woningen SWZ” en in de eerste zin van die brief wordt aan Hamanz bevestigd “(…)
de aan u verstrekte opdracht betreffende 72 woningen SWZ”. Er is geen verwijzing naar de fasen 3 en verder. Waar uit de inhoud van die brieven niet voldoende duidelijk blijkt dat partijen een overeenkomst hebben gesloten betreffende fase 6, leveren die brieven ook geen dwingend bewijs op in de zin van art. 157 Rv Pro dat partijen een overeenkomst hebben gesloten ter zake deze fase 6.