Uitspraak
de Staatssecretaris van Financiëntegen de uitspraak van het
Gerechtshof Den Haagvan 8 februari 2013, nr. BK-11/00970, betreffende een aan
[X] B.V.te
[Z](hierna: belanghebbende) opgelegde naheffingsaanslag in de overdrachtsbelasting.
Hoge Raad
Belanghebbende verkreeg percelen grond met het oog op de aanleg van een golfbaan. Voorafgaand en na de verkrijging werden diverse grondwerken en bouwkundige voorzieningen getroffen. De Inspecteur legde een naheffingsaanslag overdrachtsbelasting op omdat hij meende dat de percelen geen bouwterrein waren in de zin van de Wet OB.
De Rechtbank en het Hof verklaarden het beroep van belanghebbende gegrond en vernietigden de naheffingsaanslag, waarbij het Hof oordeelde dat de percelen als bouwterrein kwalificeerden vanwege de aard en omvang van de werkzaamheden. De Staatssecretaris stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het Hof.
De Hoge Raad overwoog dat het Hof mogelijk ten onrechte ook bouwwerkzaamheden aan het clubhuis bij de beoordeling had betrokken en dat het begrip 'bebouwing' ruim moet worden uitgelegd. De Hoge Raad benadrukte dat natuurlijke terreinaanpassingen geen bouwwerken zijn en dat de verhouding tussen bebouwd en onbebouwd terrein van belang is. Gezien het ontbreken van een deugdelijke motivering vernietigde de Hoge Raad het arrest en verwees de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam voor verdere behandeling.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof Den Haag en verwijst de zaak naar het Gerechtshof Amsterdam voor nadere beoordeling.