Belanghebbende kocht op 30 juni 2010 een complex winkelpanden nabij een woonboulevard voor €16.418.053. De onroerende zaken waren zowel op de waardepeildatum 1 januari 2010 als op de transactiedatum verhuurd met stabiele huurcontracten. Het geschil betrof de vraag of de WOZ-waarde gelijk moet zijn aan de transactieprijs of dat correcties op grond van artikel 17, lid 2, Wet WOZ moeten worden toegepast.
Het Hof Den Haag oordeelde dat de transactieprijs dicht bij de waardepeildatum de waarde in het economische verkeer weerspiegelt, ondanks de bestaande huurcontracten. De Hoge Raad stelt echter dat verkoopprijzen waarbij de prijsvorming is beïnvloed door huurcontracten niet als uitgangspunt mogen dienen voor de WOZ-waarde, hoewel deze transacties wel nuttige marktgegevens kunnen opleveren.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof omdat het Hof ten onrechte zonder meer van de transactieprijs is uitgegaan. De zaak wordt verwezen naar het Gerechtshof Amsterdam voor verdere behandeling met inachtneming van deze richtlijnen. Het college van burgemeester en wethouders van Vlaardingen wordt veroordeeld in de kosten van het cassatieproces.