Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Den Haagvan 13 maart 2013, nrs. BK-12/00126 t/m 12/00128, betreffende aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
Belanghebbende ontving in de jaren 2001, 2002 en 2004 periodieke uitkeringen uit een subtrust die was ingesteld door een overleden settlor. De Inspecteur had deze uitkeringen in de inkomstenbelasting betrokken, wat door de Rechtbank werd vernietigd, maar door het Hof werd hersteld. Belanghebbende stelde cassatie in tegen het arrest van het Hof.
De Hoge Raad overwoog dat de overgangsbepaling van de Invoeringswet Wet IB 2001 van toepassing is op rechten op periodieke uitkeringen die de tegenwaarde vormen van een prestatie, ongeacht of deze op een overeenkomst of een eenzijdige rechtshandeling berusten. De term 'premies' in de bepaling moet ruim worden uitgelegd als elke prestatie die als tegenwaarde geldt.
Het middel dat de uitkeringen niet als periodieke uitkeringen zouden kwalificeren, faalt omdat het Hof hier geen onjuiste rechtsopvatting heeft gegeven. Ook het betoog dat geen premies zijn betaald, faalt omdat de enkele prestatie als tegenwaarde voldoende is. De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt de belastingheffing volgens de overgangsbepaling.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt de toepassing van de overgangsbepaling op de periodieke uitkeringen uit de trust.