ECLI:NL:HR:2013:BV6689
Hoge Raad
- Cassatie
- F.B. Bakels
- J.C. van Oven
- M.A. Loth
- C.E. Drion
- G. Snijders
- Rechtspraak.nl
Vernietiging en verwijzing in zaak over dwaling en verrekenbeding echtscheidingsconvenant
Partijen zijn in 1977 gehuwd onder huwelijkse voorwaarden met een Amsterdams en finaal verrekenbeding. Bij echtscheiding in 1999 sloten zij een convenant waarin de verdeling van het vermogen werd geregeld, met een betaling van ƒ 1.750.000 aan de vrouw. Later stelde de vrouw dat zij door een verkeerde waardering van het vermogen was benadeeld en dat sprake was van dwaling.
Het hof stelde vast dat de waarde van ondernemingen hoger was dan aangenomen en dat de vrouw daardoor meer recht had, oordeelde over dwaling en veroordeelde de man tot betaling van € 330.000. De vrouw vorderde ook betaling voor woning, inboedel, pensioen en stamrecht, die het hof deels niet toewijst.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof onjuist het bewijsvermoeden van art. 3:196 BW Pro toepaste op een convenant van vóór 1 september 2002 en dat het hof het geschil niet integraal heeft beoordeeld. Ook trad het hof buiten de rechtsstrijd door wederzijdse dwaling aan te nemen zonder dat partijen dit hadden aangevoerd. Verder oordeelt de Hoge Raad dat verzuim zonder ingebrekestelling intreedt bij opeisbaarheid van het verrekenbeding.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor verdere behandeling en beslissing. De kosten van het cassatiegeding worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen naar een ander gerechtshof voor verdere behandeling.