ECLI:NL:GHSGR:2010:BL8979
Gerechtshof 's-Gravenhage
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging immuniteit Verenigde Naties tegen aansprakelijkheid genocide Srebrenica
De Stichting Mothers of Srebrenica en nabestaanden vorderden schadevergoeding van de Staat en de Verenigde Naties (VN) wegens nalatigheid bij het voorkomen van de genocide in Srebrenica in juli 1995. De rechtbank verklaarde zich onbevoegd om van de vordering tegen de VN kennis te nemen vanwege immuniteit van jurisdictie. In hoger beroep werd de Staat toegelaten als gevoegde partij om deze immuniteit te verdedigen.
Het hof oordeelt dat de VN de meest vergaande immuniteit van jurisdictie toekomt op grond van art. II, § 2 van de Convention on the privileges and immunities of the United Nations en art. 105 van Pro het VN-Handvest. De immuniteit dient de goede werking van de VN en het handhaven van internationale vrede en veiligheid.
Hoewel het recht op toegang tot de rechter volgens art. 6 EVRM Pro en art. 14 IVBPR Pro fundamenteel is, acht het hof de immuniteit proportioneel en gerechtvaardigd. De moeders van Srebrenica kunnen hun vorderingen richten tegen de Staat en de daders, zodat het wezen van het recht op toegang tot de rechter niet wordt aangetast.
De grieven van de Stichting c.s. worden afgewezen en het vonnis van de rechtbank wordt bekrachtigd. De Stichting wordt veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep en het incident.
Uitkomst: De immuniteit van jurisdictie van de Verenigde Naties wordt bevestigd en de vorderingen van de Stichting Mothers of Srebrenica worden afgewezen.