ECLI:NL:HR:2011:BQ7594
Hoge Raad
- Cassatie
- D.G. van Vliet
- C.B. Bavinck
- A.R. Leemreis
- E.N. Punt
- J.A.C.A. Overgaauw
- Rechtspraak.nl
Vernietiging en verwijzing inzake landbouwvrijstelling bij navorderingsaanslag inkomstenbelasting
Belanghebbende kreeg over het jaar 2000 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting opgelegd, deels verminderd na bezwaar. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en verminderde de aanslag, wat het hof bevestigde. De Minister stelde cassatieberoep in tegen het hofarrest.
Belanghebbende exploiteerde een veehouderij en later een stoeterij. Hij verkocht een perceel grond dat tot dan toe voor de veehouderij werd gebruikt, met een persoonlijk gebruiksrecht. De vraag was of het perceel na 1 januari 2003 nog nagenoeg geheel binnen het kader van het landbouwbedrijf werd aangewend, wat bepalend is voor de landbouwvrijstelling.
Het hof oordeelde dat de stoeterij een landbouwbedrijf is en dat het perceel hoofdzakelijk dienstbaar was aan dat bedrijf, waardoor de vrijstelling van toepassing was. De Hoge Raad stelde dat het hof een onjuiste maatstaf hanteerde door alleen hoofdzakelijk dienstbaar te stellen in plaats van nagenoeg geheel. Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest en verwees de zaak terug voor nadere beoordeling van deze vraag.
Het incidentele cassatieberoep van belanghebbende werd ongegrond verklaard. De Hoge Raad zag geen aanleiding voor proceskostenveroordeling en sprak het arrest uit op 10 juni 2011.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen voor nadere beoordeling over de toepassing van de landbouwvrijstelling.