Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
2.De feiten en het eerste geding in cassatie
3.Het geding bij het Hof na verwijzing
4.Het tweede geding in cassatie
dat alsdan de Raad van Beroep tot verdaging van de behandeling van de zaak alleen dan verplicht ware geweest, indien er belanghebbende redelijkerwijs geen verwijt van had kunnen worden gemaakt, dat hij die grief voor het eerst ter zitting had opgeworpen;
moetworden toegelaten bewijs van door de verwijzing relevant geworden stellingen, indien te dien aanzien vóór de verwijzing een bewijsaanbod was gedaan. (2.). Was dit laatste niet geschied, dan
maghet Hof ambtshalve bewijs opdragen. (3.). In dat geval zullen dus (blijkbaar) partijen na de verwijzing geen bewijs meer mogen aanbieden en zal het Hof aan zulk een aanbod geen gevolg meer mogen geven. (4.). Bij gebreke van een vóór de verwijzing gedaan bewijsaanbod en van een ambtshalve, - bij interlocutoir arrest -, gegeven bewijsopdracht zal, zo de wederpartij zich daartegen verzet, niet mogen worden rechtgedaan op grond van bewijsstukken, welke eerst na de verwijzing in het geding zijn gebracht en welke "in den rechtsstrijd van partijen nog niet betrokken zijn geweest".
nietde conclusies die onze cassatierechter daaruit trekt: integendeel, want het "principe de continuité de l'instance sur renvoi" "est extrêmement utile au regard du fond du procès, en ce qu'il rende recevables les moyens nouveaux et demandes nouvelles…" (Hébraud, Rev.Trim. 1972, blz. 168 (…); zie voor België in dezelfde zin: Simont, Pourvois en cassation (1933), no. 229 e.v., met name no.'s 231 en 234).
nietom partijen - gelijk de toenmalige A.G. Mevr. Minkenhof het in haar conclusie voor H.R. 31 mrt. 1967 uitdrukte - "een nieuwe gelegenheid te geven om de grondslagen van het proces uit te breiden of gemaakte processuele fouten te verbeteren, een gelegenheid die zij niet zouden hebben gehad indien de rechter direct de juiste beslissing zou hebben genomen." Maar wèl om partijen de gelegenheid te laten hun postitie aan te passen bij de door het verwijzingsarrest hervormde juridieke situatie, opdat zoveel mogelijk recht kan worden gedaan op basis van de werkelijke situatie. Zou daartoe verandering van eis nodig zijn, dan zou in dit stadium m.i. zèlfs artikel 134 Rv Pro. toepassing moeten kunnen vinden (vgl. concl. A.G. Berger voor H.R. 28 febr. 1969, N.J. 1971, 79).
Naar ik meen, zou zodanige mogelijkheid van aanvullen na verwijzing niet in overeenstemming zijn met een goede procesorde, daar op deze wijze de tegenpartij in een voortdurende reeks van telkens verschuivende weren na verwijzing zou kunnen worden meegesleurd. De grenzen van de rechtsstrijd, zoals deze eenmaal voor cassatie waren bepaald na een strijd in gewoonlijk twee instanties, dienen daarom na cassatie, waarin slechts de juistheid van de beslissing binnen die grenzen wordt getoetst, in beginsel niet te kunnen worden uitgebreid of verschoven.
p. 2-9, bevatten een uitvoerig gedocumenteerd overzicht van de door Uw Raad geformuleerde regels die de verwijzingsprocedure beheersen.
HR 27 april 1934, NJ 1934, 1233, m.nt. PS en, recenter, HR 17 okt. 1980, NJ 1981, 298 en HR 2 dec. 1983, NJ 1984, 583, m.nt. MA.
Het onderdeel faalt. Anders dan het [middelonderdeel, A-G] tot uitgangspunt neemt, geldt niet onder alle omstandigheden dat de rechter naar wie de zaak door de Hoge Raad is verwezen, geen acht mag slaan op eerst na verwijzing in het geding gebrachte bescheiden. In het onderhavige geval zijn de bedoelde bescheiden overgelegd ter staving van de vordering tot schadevergoeding zoals deze na verwijzing, zonder verzet van Blaauwbroek c.s., was gewijzigd. Het Hof heeft, mede gelet op het belang van de proceseconomie, niet blijk gegeven van een onjuiste opvatting omtrent zijn taak als verwijzingsrechter door deze bescheiden - die later in de schadestaatprocedure zouden kunnen zijn overgelegd indien de eis niet was gewijzigd en de oorspronkelijke vordering tot vergoeding van schade op te maken bij staat zou zijn toegewezen - in zijn beoordeling van de vordering te betrekken.
(…)
BNB1978/171. (…)
Onvoltooide instantie.Met betrekking tot het voorschrift dat de verwijzingsrechter de behandeling van de zaak voortzet, heeft de Hoge Raad reeds in 1919 geoordeeld dat hij de zaak op het bestaande beroep verder moet behandelen en afdoen. [64] Vervolgens is de Raad de term ‘onvoltooide appelinstantie’ voor de procedure na verwijzing gaan gebruiken [65] en heeft hij geoordeeld dat, indien de vernietiging een uitspraak van de appelrechter betreft, de appelinstantie onvoltooid is gebleven en dus voortduurt, ook als het geding is verwezen naar een andere appelrechter dan degene wiens uitspraak werd vernietigd. De procedure na cassatie en verwijzing is dus niet een zelfstandige instantie met een eigen procesgang. Het is de voortzetting van de onvoltooide appelinstantie die voorafging aan het cassatiegeding. [66] Dat de zaak na vernietiging en verwijzing nog bij de verwijzingsrechter moet worden aangebracht, brengt daarin geen verandering.
Nieuwe ontwikkelingen.Zoals gezegd moet de verwijzingsrechter in beginsel de zaak berechten in de stand waarin zij zich bevond ten tijde van de bestreden uitspraak. Dit heeft tot gevolg dat in beginsel niet de gelegenheid bestaat voor een nieuwe instructie van de zaak [67] , tenzij sprake is van een geschilpunt dat voor cassatie en verwijzing al aan de orde was gesteld en bij de voortzetting van het debat na verwijzing opnieuw, dan wel alsnog van belang wordt. In een dergelijk geval mag een eerder verweer worden gepreciseerd en nader toegelicht alsmede een daarop betrekking hebbende feitelijk onjuist standpunt worden gecorrigeerd [68] en mogen onder omstandigheden ook nieuwe producties worden overgelegd. [69]
lites finiri oportet. Bovendien, zo is de gedachte, als men het met een bepaalde (eind)beslissing in de procedure vóór cassatie niet eens was, dan had men dit in de cassatieprocedure aan de orde moeten stellen. De rechtvaardiging voor de regel dat de verwijzingsrechter gebonden is aan in cassatie niet-bestreden beslissingen, kan dan ook tevens worden gevonden in de partijautonomie: evenals de appèlrechter is ook de verwijzingsrechter gebonden aan door partijen niet bestreden eerdere rechterlijke beslissingen.
6.Aanwending in het kader van het landbouwbedrijf
dat het Hof derhalve de mate van het gebruik van perceel 3260 voor slachtvee niet buiten beschouwing mocht laten en met name niet kon volstaan met de vaststelling dat in elk van de jaren 1964 tot en met 1970 de 5.16.01 ha. weiland - waarvan, naar uit de bestreden uitspraak blijkt, perceel 3260 een gedeelte was - mede is aangewend voor het daarop weiden van slachtvee door belanghebbende op de dagen liggende tussen de aan- en verkoop door hem van dit vee in het kader van zijn grossierderij in vee en vlees;
Indien onder de werking van artikel 8, lid 1, letter b, van de Wet, zoals deze bepaling sinds 1 april 1986 luidt, op de bij een landbouwbedrijf behorende grond, hetzij op het bestaande agrarische bouwperceel, hetzij op daarbuiten gelegen grond, een tweede bedrijfswoning wordt gebouwd, wordt het perceel waarop deze bouw plaatsvindt, onttrokken aan het gebruik ten behoeve van de landbouw in eigenlijke zin. Dit houdt voor de toepassing van genoemde wetsbepaling in dat dit perceel voortaan niet meer in het kader van de uitoefening van het landbouwbedrijf zal worden aangewend. Daaraan doet niet af, dat tussen het perceel met de daarop te bouwen woning en het landbouwbedrijf nog een zodanig verband kan bestaan, dat het de ondernemer vrijstaat deze zaak tot het ondernemingsvermogen te rekenen; voor een zodanige keuze geldt immers niet de strenge eis dat het perceel geheel of nagenoeg geheel voor de feitelijke beoefening van de landbouw wordt aangewend. (…)
De Hoge Raad acht het dus, anders dan het hof, niet nodig aan zijn oordeel mede ten grondslag te leggen dat de exploitatie van het weiland wegens haar geringe omvang niet als onderneming kon worden aangemerkt. De vraag rijst of een groter agrarisch ondersteuningsbedrijf wel als landbouwbedrijf zou hebben gekwalificeerd. Het komt mij voor dat ingeval zo'n nevenbedrijf in potentie als zelfstandige eenheid zou kunnen opereren, niet zal worden geoordeeld dat daaraan zelfstandige betekenis moet worden ontzegd. Daarom zal in zo'n geval naar ik aanneem, wél sprake kunnen zijn van een afzonderlijk te onderkennen landbouwbedrijf. Die conclusie lijkt mij ook wel te moeten voortvloeien uit de gelijkheidseis: voor materiële gelijke bedrijven zou de fiscale positie niet verschillend mogen zijn naar gelang deze produceren voor de markt dan wel voor een ander bedrijf binnen dezelfde economische eenheid.
- de bestemming van het perceel is agrarisch;
- het gebruik van een paard na de opfokperiode - in casu veelal in de hobby- en sportsfeer - is niet doorslaggevend voor de vraag of sprake is van een landbouwbedrijf; op het moment dat het paard op ongeveer driejarige leeftijd het 'productieproces' verlaat, kan pas worden beoordeeld of het dier binnen of buiten de agrarische sector wordt ingezet;