Belanghebbende kreeg een navorderingsaanslag inkomstenbelasting opgelegd over 2000, welke na bezwaar en beroep deels werd verminderd. De Rechtbank Haarlem en het Gerechtshof Amsterdam bevestigden deze vermindering, maar de Staatssecretaris stelde cassatieberoep in bij de Hoge Raad.
De Hoge Raad vernietigde het arrest van het Hof Amsterdam omdat het Hof afweek van de door de Hoge Raad in een eerder arrest vastgestelde uitgangspunten over de bestemming van het geoogste ruwvoer. Volgens de Hoge Raad mocht het Hof niet uitgaan van nieuwe berekeningen die afweken van het cassatie-arrest.
Het incidentele cassatieberoep van belanghebbende werd ongegrond verklaard. De Hoge Raad verwijst de zaak terug naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor een nieuwe beoordeling, waarbij het Hof moet uitgaan van de reeds vaststaande feiten en de stellingen die eerder niet zijn behandeld. De Hoge Raad benadrukt dat het perceel nagenoeg geheel dienstbaar moet zijn aan het landbouwbedrijf en dat de bestemming van het ruwvoer niet als zelfstandige activiteit kan gelden.