ECLI:NL:HR:2008:BD3135
Hoge Raad
- Cassatie
- D.H. Beukenhorst
- A. Hammerstein
- F.B. Bakels
- C.A. Streefkerk
- W.D.H. Asser
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid vordering opschorting uitzetting vreemdeling wegens voldoende bestuursrechtelijke rechtsbescherming
De zaak betreft een vreemdeling die met haar minderjarige kinderen een vordering tot opschorting van haar uitzetting bij de civiele rechter had ingediend. De voorzieningenrechter had deze vordering toegewezen, maar het hof bekrachtigde dit oordeel niet. De Staat stelde in cassatie dat de civiele rechter niet-ontvankelijk had moeten verklaren omdat de vreemdelingenwet een voldoende stelsel van bestuursrechtelijke rechtsbescherming biedt.
De Hoge Raad oordeelde dat de Vreemdelingenwet 2000 inderdaad een exclusief stelsel van rechtsbescherming via de bestuursrechter bevat, waarbij ook bestuursrechtelijke procedures openstaan tegen rechtens relevante handelingen jegens vreemdelingen. De civiele rechter heeft slechts bij hoge uitzondering een rol, namelijk wanneer de bestuursrechtelijke bescherming onvoldoende is, wat hier niet het geval was.
De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest van het hof en het vonnis van de voorzieningenrechter en verklaarde de vreemdeling niet-ontvankelijk in haar vordering. De kosten van het geding werden ieder voor eigen rekening gelaten. Hiermee werd bevestigd dat de vreemdelingenrechter de aangewezen instantie is voor geschillen over uitzetting en dat de civiele rechter geen aanvullende rechtsbescherming hoeft te bieden.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de vreemdeling niet-ontvankelijk in haar vordering tot opschorting van uitzetting wegens voldoende bestuursrechtelijke rechtsbescherming.