ECLI:NL:HR:2008:BD2408
Hoge Raad
- Cassatie
- D.H. Beukenhorst
- P.C. Kop
- A. Hammerstein
- J.C. van Oven
- W.D.H. Asser
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over matiging loonvordering bij vermeende beëindiging arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden
De zaak betreft een loonvordering van [eiser] tegen zijn werkgever Fianed NEDERLAND B.V. nadat de arbeidsovereenkomst naar zijn zeggen niet rechtsgeldig was beëindigd. [Eiser] vorderde betaling van 70% van zijn salaris vanaf september 2002, inclusief vakantietoeslag en bonus, omdat hij vanaf die datum geen salaris meer ontving. De kantonrechter wees de vordering af, maar het hof vernietigde dit en veroordeelde Fianed tot betaling van het loon over de periode van september tot november 2002, met wettelijke verhoging en rente. Het hof matigde de loonvordering op grond van art. 7:680a BW.
De Hoge Raad oordeelt dat art. 7:680a BW geen matigingsbevoegdheid aan de rechter geeft indien de loonvordering niet samenhangt met vernietiging van een opzegging, maar gebaseerd is op het doorlopen van de arbeidsovereenkomst na vermeende beëindiging met wederzijds goedvinden. De matiging op die grond is derhalve niet toegestaan. Wel kan de werkgever een beroep doen op redelijkheid en billijkheid (art. 6:248 lid 2 BW Pro), maar het hof heeft dit niet toegepast of voldoende onderbouwd.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem voor verdere behandeling en beslissing. Tevens veroordeelt de Hoge Raad Fianed in de kosten van het cassatiegeding.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak naar het gerechtshof Arnhem voor verdere behandeling.