ECLI:NL:PHR:2014:672

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
13 juni 2014
Publicatiedatum
4 juli 2014
Zaaknummer
14/02526
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a Wet BopzArt. 14c lid 1 Wet BopzArt. 14c lid 2 Wet BopzArt. 14d Wet BopzArt. 14d lid 2 Wet Bopz
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geldigheidsduur voorwaardelijke machtiging volgens Wet Bopz

In deze zaak staat de geldigheidsduur van een voorwaardelijke machtiging op grond van de Wet Bopz centraal. Betrokkene had een voorwaardelijke machtiging die op 9 januari 2014 verliep. Na een onvrijwillige opname werd deze machtiging geconverteerd in een voorlopige machtiging met dezelfde einddatum. De officier van justitie verzocht vervolgens een nieuwe voorwaardelijke machtiging, die door de rechtbank werd verleend voor de periode tot 14 augustus 2014.

Betrokkene stelde in cassatie dat de nieuwe machtiging slechts tot 10 juli 2014 had mogen duren, omdat de termijn van zes maanden pas kon ingaan na het verstrijken van de vorige machtiging. De Hoge Raad verwierp dit standpunt en stelde dat de geldigheidsduur van zes maanden wordt berekend vanaf de dagtekening van de beschikking, niet met terugwerkende kracht. Een machtiging kan niet met terugwerkende kracht worden verleend, omdat de patiënt pas vanaf de bekendmaking aan de voorwaarden kan worden gehouden.

Daarnaast werd een motiveringsklacht afgewezen omdat het voorstel van betrokkene om de machtiging per 10 januari 2014 te laten ingaan niet gemotiveerd was en geen uitdrukkelijke weerlegging behoefde. De Hoge Raad concludeerde dat de rechtbank terecht de machtiging heeft verleend voor de periode tot 14 augustus 2014 en verwierp het cassatieberoep.

Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de geldigheidsduur van de voorwaardelijke machtiging zes maanden vanaf de dagtekening van de beschikking bedraagt.

Conclusie

14/02526
Mr. F.F. Langemeijer
13 juni 2014
Conclusie inzake:
[betrokkene]
tegen
Officier van Justitie te Rotterdam
In deze Bopz-zaak gaat het om de geldigheidsduur van een voorwaardelijke machtiging.

1.De feiten en het procesverloop

1.1.
In cassatie kan m.i. worden uitgegaan van de volgende feiten:
1.1.1.
Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 23 juli 2013 is ten aanzien van verzoeker tot cassatie (hierna: betrokkene) een voorwaardelijke machtiging verleend als bedoeld in art. 14a Wet Bopz, met een geldigheidsduur tot 9 januari 2014 [1] .
1.1.2.
Op 29 oktober 2013 heeft de geneesheer-directeur van het aangewezen psychiatrisch ziekenhuis, Bouman GGZ te Rotterdam, betrokkene op de voet van art. 14d Wet Bopz onvrijwillig doen opnemen in dat ziekenhuis. Als gevolg van dit besluit is de onder 1.1.1 genoemde voorwaardelijke machtiging van rechtswege omgezet (geconverteerd) in een voorlopige machtiging met een geldigheidsduur tot 9 januari 2014 [2] .
1.2.
Bij inleidend verzoekschrift, bij de rechtbank ingediend op 3 januari 2014, heeft de officier van justitie de rechtbank verzocht een voorwaardelijke machtiging te verlenen. Bij het verzoekschrift was een geneeskundige verklaring gevoegd d.d. 18 december 2013, ondertekend door de geneesheer-directeur, die betrokkene met het oog daarop heeft laten onderzoeken door de niet bij de behandeling betrokken psychiater [de psychiater].
1.3.
De rechtbank heeft het verzoek behandeld ter zitting van 20 januari 2014 in aanwezigheid van betrokkene en zijn raadsvrouwe en de ambulant begeleidster vanuit het ziekenhuis. Na een discussie over de te stellen voorwaarden heeft de rechtbank de behandeling aangehouden ten einde een nieuw plan te doen opstellen. Op 11 februari 2014 heeft de behandelaar een nieuwe behandelovereenkomst met voorwaarden aan de rechtbank gezonden, welke door betrokkene is ondertekend. Bij brief van 13 februari 2014 met bijlagen heeft de raadsvrouwe de rechtbank laten weten dat betrokkene instemt met de algemene en de bijzondere voorwaarden. Aan het slot van deze brief heeft zij voorgesteld de voorwaardelijke machtiging te laten ingaan op 10 januari 2014, aansluitend op het verstrijken van de laatste machtiging.
1.4.
Bij beschikking van 13 februari 2014 heeft de rechtbank de verzochte voorwaardelijke machtiging verleend voor het tijdvak tot 14 augustus 2014.
1.5.
Namens betrokkene is − tijdig − beroep in cassatie ingesteld [3] . In cassatie is geen verweerschrift ingediend.

2.Bespreking van het cassatiemiddel

2.1.
Het middel van cassatie is uitsluitend gericht tegen de geldigheidsduur van de verleende machtiging. Volgens de klacht had de officier van justitie een aansluitende machtiging verzocht en mocht de machtiging worden verleend voor ten hoogste zes maanden, gerekend vanaf de dag na die waarop de vorige machtiging zou verstrijken, derhalve tot 10 juli 2014: die termijn is met één maand en vier dagen overschreden. Subsidiair wordt geklaagd dat onbegrijpelijk is waarom de rechtbank is afgeweken van het voorstel van de raadsvrouwe in haar brief van 13 februari 2014.
2.2.
Op grond van art. 14c lid 1 Wet Bopz heeft een voorwaardelijke machtiging een geldigheidsduur van ten hoogste zes maanden
na haar dagtekening. De beschikking van de rechtbank is in overeenstemming met deze wettelijke bepaling [4] .
2.3.
Indien de andersluidende opvatting in het cassatiemiddel voortkomt uit de gedachte dat in aansluiting op de (geconverteerde) voorwaardelijke machtiging van 23 juli 2013 slechts een nieuwe voorwaardelijke machtiging kon worden gegeven, als bedoeld in art. 14c lid 2 Wet Bopz, zou betrokkene belang missen bij deze klacht omdat een nieuwe voorwaardelijke machtiging kan worden verleend voor de duur van ten hoogste een jaar: die maximale geldigheidsduur is in geen geval overschreden.
2.4.
Het begrip ‘aansluitende machtiging’ is bekend uit art. 14f, onder b, Wet Bopz. Deze wettelijke bepaling ziet op een situatie die in dit cassatieberoep niet aan de orde is, te weten: de vraag of de geneesheer-directeur van zijn in art. 14d lid 1 Wet Bopz bedoelde bevoegdheid tot opneming gebruik kan maken nadat de geldigheidsduur van de lopende voorwaardelijke machtiging is verstreken [5] .
2.5.
Voor zover de in het cassatiemiddel verdedigde opvatting berust op de gedachte dat de officier van justitie op 3 januari 2014 een voorwaardelijke machtiging heeft verzocht die per 10 januari 2014 zou ingaan, te weten aansluitend op de datum waarop de (geconverteerde) machtiging van 23 juli 2013 zou verstrijken, geldt niettemin dat de wettelijk toegestane geldigheidsduur van de op 13 februari 2014 verleende machtiging wordt gerekend vanaf de dagtekening van de beschikking. Een voorwaardelijke machtiging wordt niet met terugwerkende kracht verleend. Dat laatste zou trouwens zinloos zijn, omdat de betrokken patiënt niet aan de gestelde voorwaarden kan worden gehouden wanneer de beschikking waarbij de rechter deze voorwaarden heeft vastgesteld nog niet aan hem is bekendgemaakt. De rechtsklacht faalt.
2.6.
De motiveringsklacht faalt om dezelfde reden. Het namens betrokkene aan de rechtbank gedane voorstel om de voorwaardelijke machtiging te laten ingaan op 10 januari 2014 behoefde niet een uitdrukkelijke weerlegging, reeds omdat het niet was gemotiveerd [6] . De slotsom is dat het middel faalt.

3.Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
a. - g.

Voetnoten

1.De beschikking van 23 juli 2013 is niet overgelegd noch genoemd in de bestreden beschikking. Een afschrift van het besluit van de geneesheer-directeur van 29 oktober 2013 is wel overgelegd. Uit dat besluit, hetgeen in eerste aanleg over en weer is gesteld en in het cassatierekest tot uitgangspunt is genomen, meen ik te mogen opmaken dat in cassatie van de juistheid van deze data kan worden uitgegaan.
2.Zie art. 14d lid 2 Wet Bopz. Na een opneming op de voet van art. 14d kan de geneesheer-directeur eventueel voorwaardelijk ontslag uit het ziekenhuis verlenen (art. 47 Wet Pro Bopz); van het ‘herleven’ van de voorwaarden van de oorspronkelijke voorwaardelijke machtiging is in dat geval geen sprake (MvT, Kamerstukken II 2005-2006, 30 492, nr. 3, blz. 8). Naar eigen zeggen verblijft betrokkene sinds 9 januari 2014 weer thuis (p.- v. 20 januari 2014, blz. 1).
3.Een faxkopie van het cassatierekest is ter griffie ontvangen op 13 mei 2014, een dag later gevolgd door het door een advocaat bij de Hoge Raad ondertekende origineel.
4.Voor de berekening van de geldigheidsduur geldt de dag na die waarop de beschikking werd gegeven als de eerste dag van de zes maanden termijn. Hierdoor eindigt een machtiging steeds om 24.00 uur ’s nachts. (Een op 13 februari 2014 voor zes maanden gegeven machtiging is derhalve geldig tot en met 13 augustus 2014). Vgl. HR 8 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA3535, BJ 2007/35 m.nt. W. Dijkers.
5.Zie over deze bepaling: HR 25 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:1040, JVggz 2014/1 m.nt. W. Dijkers.
6.Voor het inkorten van de wettelijk toegestane geldigheidsduur op de voet van HR 23 februari 1996, ECLI:NL:HR:1996:AD2497, NJ 1996/618, rov. 3.5.2, was in dit geval geen reden. Betrokkene verbleef niet onvrijwillig in een psychiatrisch ziekenhuis in het tijdvak tussen het verstrijken van de eerste en de aanvang van de tweede voorwaardelijke machtiging.