Conclusie
1.De feiten en het procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
na haar dagtekening. De beschikking van de rechtbank is in overeenstemming met deze wettelijke bepaling [4] .
Parket bij de Hoge Raad
In deze zaak staat de geldigheidsduur van een voorwaardelijke machtiging op grond van de Wet Bopz centraal. Betrokkene had een voorwaardelijke machtiging die op 9 januari 2014 verliep. Na een onvrijwillige opname werd deze machtiging geconverteerd in een voorlopige machtiging met dezelfde einddatum. De officier van justitie verzocht vervolgens een nieuwe voorwaardelijke machtiging, die door de rechtbank werd verleend voor de periode tot 14 augustus 2014.
Betrokkene stelde in cassatie dat de nieuwe machtiging slechts tot 10 juli 2014 had mogen duren, omdat de termijn van zes maanden pas kon ingaan na het verstrijken van de vorige machtiging. De Hoge Raad verwierp dit standpunt en stelde dat de geldigheidsduur van zes maanden wordt berekend vanaf de dagtekening van de beschikking, niet met terugwerkende kracht. Een machtiging kan niet met terugwerkende kracht worden verleend, omdat de patiënt pas vanaf de bekendmaking aan de voorwaarden kan worden gehouden.
Daarnaast werd een motiveringsklacht afgewezen omdat het voorstel van betrokkene om de machtiging per 10 januari 2014 te laten ingaan niet gemotiveerd was en geen uitdrukkelijke weerlegging behoefde. De Hoge Raad concludeerde dat de rechtbank terecht de machtiging heeft verleend voor de periode tot 14 augustus 2014 en verwierp het cassatieberoep.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de geldigheidsduur van de voorwaardelijke machtiging zes maanden vanaf de dagtekening van de beschikking bedraagt.