ECLI:NL:HR:2006:AT3928
Hoge Raad
- Cassatie
- J.W. van den Berge
- F.W.G.M. van Brunschot
- C.B. Bavinck
- A.R. Leemreis
- C.J.J. van Maanen
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad oordeelt over heffingsrecht bij uitzending personeel naar België volgens belastingverdrag
Belanghebbende kreeg een naheffingsaanslag loonbelasting opgelegd voor de periode 1998-2000 omdat een werknemer, B, deels in België werkte en een deel van zijn loon via een Belgische vennootschap (SA) werd betaald. Het hof oordeelde dat Nederland het heffingsrecht had omdat er geen dienstbetrekking tussen B en de SA was vastgesteld.
De Hoge Raad stelt dat het hof ten onrechte het bestaan van een dienstbetrekking als doorslaggevend heeft gezien. Volgens het belastingverdrag Nederland-België moet worden beoordeeld of de beloning is betaald door of namens een werkgever in België, waarbij de werkgever in een gezagsverhouding tot de werknemer moet staan en de kosten en risico’s van de werkzaamheden draagt.
De zaak wordt terugverwezen naar het hof om te beoordelen of de SA als werkgever kan worden aangemerkt, waarbij onder meer gekeken moet worden naar de instructies aan B, de risico’s en resultaten van zijn werkzaamheden, en of de loonkosten aan de SA zijn doorbelast. Tevens wordt de Minister van Financiën veroordeeld in de proceskosten van het cassatieberoep.
Uitkomst: Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug voor nadere beoordeling van het heffingsrecht volgens het belastingverdrag.